Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door beiden onvoldoende geacht, — of wel , mei de Groninger kerkelijke school zich tevreden stellen ?

Een stelsel is dan alleen goed, als het algemeen in toepassing kan worden gebragt.

Ons komt het evenwel zóó voor, dat in beider systema, zoo van de Liefde als van Hofstede de groot (in Commissie,) een uitweg gezocht worden , wanneer de Staat door de Ultramontaansche en liberale partij, er toe gedrongen wordt ,on-Christelijke Staatsscholen, die dan ook gemengde scholen zullen zijn, op te rigteu of te handhaven. Om dien weg te ontwijken, zalmen, zoo verre doenlijk, lot bijzondere scholen de loevlugt moeten nemen f en de Staats-scholen, zoo veel doenlijk, moeten laten ledig staan. In dien geest spraken ook reeds in 1842 eenige ijverige voorstanders van een Christelijk onderwijs en opvoeding in hun Adres aan de algemeene Synode der Hervormde kerk:

«Zij (de adressanten) meenen , dat de Hervormde Kerk het niet lijdelijk mag aanzien , wanneer een groot deel der hinderen (de armen der gemeente) , voor wier opvoeding zij aan hooger dan aardsche Magt verantwoordelijk is, op scholen gebragt wordt, waar een christelijk gebed ecne aanstootelijkheid, de bijbel een verboden boek en het eerbiedig noemen van den Zaligmaker de meest ergerlijke uitdrukking is. Zij meenen dat, wanneer de zorg van den Staat zich tot daarstelling van dergelijke scholen bepaalt, de kerk, om aan hare verpligtingen te voldoen, eigen9 scholen moet hebben , waar , ook zonder verlof van Roomsche priesters verkregen te hebben, naar kinderlijke bevatting en met het oog op den gekruisten IJeiland, Gods zegen afgesmeekt, Gods lof gezongen , Gods Woord uitgelegd, Gods Wet ingescherpt, Gods leiding met het vaderland en met de vaderlandsche kerk aangetoond wordt. De ondergeteekenden weten , dat dergelijke instellingen , hoe nederig en eenvoudig, niet met een tooverslag in het leven worden geroepen, doch zij weten ook, dat aanvang en althans voorbereiding mogelijk is: dat tot die voorbereiding allereers de handhaving van een te lang miskend beginsel behoort: en dat, wanneer bij eene niet-christelijke organisatie van het openbaar onderwijs, nog bovendien de oprigting van bijzondere scholen, van de willekeur van plaatselijke en provinciale overheden afhankelijk is gemaakt, het allereerst aan het hoofdbestuur van het kerkgenootschap opgelegd wordt, zich hiertegen , ten behoeve niet slechts der gemeenten, maar van elk lid der kerk, te verklaren; met de bescheidenheid, welke den onderdaan, met de vrijmoedigheid, welke den christen , met den aandrang, welke aan de woordvoerders van erkende gezindheden voegt.»

Sluiten