is toegevoegd aan uw favorieten.

Tubantiana

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of nu zulk eene zending en aanstelling tot het heilig ambt der Evangelie-bediening, waar ze niet van de gemeente des Heeren, maar van eene vreemde zich boven de gemeente verheffende macht uitgaat, in Bijbelschen zin wel in alle opzichten eene wettige kan heeten, is eene vraag, waarover verschillend kan geoordeeld worden, maar met wier beantwoording wij ons thans niet kunnen inlaten. Dat de H. Schrift de roeping en zending aan niemand dan aan de gemeente heeft toebetrouwd, en dat het Gereformeerde Bevestigingsformulier vraagt: of men gelooft „wettig van Gods gemeente en mitsdien van God zeiven geroepen te zijn," is onzen lezers zeker wel bekend.

Met de macht der Graafschappelijke Classis bleek het dus zeer poover gesteld te zijn. Maar was het met de macht der kerkeraden wellicht beter gesteld? Wij antwoorden: ja, al iets beter dan met die der Classis. Wel hadden de overige kerkeraadsleden, ouderlingen en diakenen, hunne verkiezing en aanstelling mede aan den Overkerkenraad te danken, maar zij hadden tot uitoefening van kerkelijke tucht toch altijd nog eenige macht, namelijk de macht tot eene stille censuur. Als het tot openbare behandeling of tot afsnijding moest komen, dan moest altijd weer de Overkerkenraad toestemming geven. Bij de benoeming van een leeraar, ouderling of diaken hadden kerkeraadsleden ten minste het recht om met den Overkerkenraad mêe te stemmen. En mocht de