is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan zich moet onderwerpen, er ook nog eens in slaagde, om rechtstreeks uit de elementen wijn te bereiden, ook zonder dat hij de krachten, die daarbij in het spel kwamen, volkomen begreep ?

De vraag, of er wonderen kunnen geschieden en zijn geschied, hangt alleen af van de beantwoording der vraag, of God almachtig is. Wil men deze laatste vraag niet bevestigend beantwoorden; meent men, dat God niet veel machtiger is dan een mensch en niet boven de natuur staat, welnu, dan zijn wonderen, als vrijmachtige daden Gods beschouwd, onmogelijk: dan heeft ook Christus geen wonderen gedaan. Het is werkelijk aandoenlijk, hoe zorgvuldig de moderne mensch er naar tracht, 0111 de natuur de hand boven het hoofd te houden, opdat geen enkele harer wetten worde gewijzigd of ook maar tijdelijk worde opgeheven. Wanneer een verhaal ook slechts de geringste sporen daarvan vertoont, wordt het dadelijk gewantrouwd en als een sprookje beschouwd; immers de moderne mensch gelooft aan het dogma van eeuwige en onveranderlijke natuurwetten en natuurkrachten, alsof dat eene reeds bewezen zaak ware en alsof men die onveranderlijkheid in de korte spanne tijds, gedurende welke de natuurwetenschap is beoefend, heeft kunnen aantoonen. Maar afgezien daarvan, is er bij de wonderèn van Christus volstrekt niet altijd sprake van een vernietigen, van een opheffen, van een schorsen der natuurwetten, maar menigmaal slechts van een leiden, richten en regelen der bestaande natuurkrachten.

Inderdaad, wanneer wij de natuur geheel aan zich zelve overlaten, dan gaat zij den haar voorgeschreven gang volgens de daarin gelegde wet van oorzaak en gevolg; maar geheel anders wordt reeds de zaak, wanneer in haren loop eene geestelijke, eene verstandelijke kracht ingrijpt, die de stof en de kracht dwingt, zich naar haren wil te schikken en haar oorspronkelijke baan te verlaten en eene andere richting in te slaan. Bij deze menschelijke werkzaamheid vindt geen verbreken der causaliteit plaats — hoe zou de mensch dit kunnen doen! — maar eene plooiing, eene buiging uit de bloot mechanische richting in eene nieuwe, die de mensch haar voorschrijft. Men denke hier slechts aan den invloed van menschenhanden op de natuur, waardoor als het ware ook wonderen zijn verricht, b.v. aan het boren van artesische putten in woestijnen, aan het planten en uitroeien van bos-