Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

DE AFSTAMMINGSLEER,

De bestrijders van het Darwinisme, van de leer van Darwin, waardoor eene verklaring gegeven wordt van de evolutieleer of de afstammingshypothese, die naar den bekwamen verdediger ervan, den Franschman J. B. Monet de Lamarck (1744—1829), ook wel Lamarckisme geheeten wordt, kan men in twee groepen verdeelen.

Tot de eerste groep behooren zij, die van de descendentie, van de afstamming van hoogere dieren en planten uit lagere, en ten slotte uit een of meer allereenvoudigste wezens niets willen weten, en dan natuurlijk de verklaring van Darwin ook niet noodig hebben. De tweede groep omvat die geleerden, die wel ontwikkeling van het hoogere uit het lagere, wel eenè evolutie op het gebied der organische wereld aannemen, maar meenen, dat de wetenschappelijke verklaring, welke Darwin van dit verschijnsel heeft gegeven, onvoldoende en onjuist is : zij bestrijden dus niet de descendentieleer als zoodanig, maar alleen het Darwinisme in den eigenlijken zin van het woord.

Het Lamarckisme, de transmutatie- of afstammingsleer is een dogma: niet door middel van ervaring is men tot de descendentie of evolutie der organische wezens gekomen, maar langs zuiver speculatieven weg. Van daar, dat sommigen deze leer ook uitstrekken tot den geheelen mensch en anderen alleen tot zijn lichaam, terwijl nog anderen er den mensch geheel buiten laten. In zijn eerste hoofdwerk „De oorsprong der soorten" heeft Darwin de afstammingsleer en de selectietheorie nog niet op den mensch toegepast; een der redenen hiervoor vindt men misschien wel in zijn eigen bekentenis „dat, hoe meer de vormen, die wij beschouwen, verschillen, des te meer verliezen de gronden ten gunste van eene gemeenschappelijke afstamming in aantal en in kracht". Eerst twaalf jaren later, in 1871, nadat de Duitsche geleerde Ernst Haeckel (geb. 1834) in 1868 zijne „Natuur-

Sluiten