Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke geschiedenis der schepping" had doen verschijnen, waarin onomwonden de dierlijke afstamming van den gelieelen mensch geleerd werd, verscheen van Darwin's hand het boek „De afstamming des menschen", waarin ook hij beweert, dat de mensch met al zijne vermogens van een minder hoog georganiseerd wezen zou zijn afgestamd. „Hij, die er niet mede tevreden is, om, evenals een wilde, de natuurverschijnsels zonder verband met elkaar te beschouwen, kan geen oogenblik langer gelooven, dat de mensch het voortbrengsel van eene afzonderlijke scheppingsdaad zou zijn" ; zoo schrijft Darwin in het 21ste hoofdstuk van zijn laatstgenoemd werk,

Men kan het dogma der evolutie, der ontwikkeling van hoogere organische wezens uit lagere, aannemen of verwerpen ; voor het laatste pleiten echter meer gronden dan voor het eerste. Immers wèl heeft men waargenomen, dat uitwendige levensomstandigheden, b.v. verschillend voedsel, verandering van woonplaats, het veel of weinig gebruiken van sommige organen, soms vrij groote wijzigingen binnen de soort kunnen teweegbrengen; wèl is geconstateerd, dat dooi geheel onbekende invloeden sommige organismen, vooral planten, b.v. de uit Noord-Amerika hier ingevoerde nachtkaars of sint-1 eunisbloem van Lamarck (oenothera Lamarckiana) en de wilde goudsbloem (chrysanthemum segetum) somtijds geheel plotseling eene verandering ondergaan, doch een geleidelijke overgang of ook een sprong van de eene soort in de andere is nog nooit waargenomen. Sprongsgewijze veranderingen kunnen ook door de leer van Darwin in het geheel niet verklaard worden.

Integendeel gaan, voorzoover onze waarneming reikt, de wijzigingen, die de natuur bij geval oplevert, nooit zoover, dat daardoor het eigenaardig karakter der soort verloren gaat ; en wanneer men die wijzigingen behouden, bewaren wil, moet men daarvoor gewoonlijk kunstmiddelen aanwenden, die in de natuur als zoodanig niet gevonden worden. Welke verschillende runderrassen er b.v. ook door de natuur voortgebiacht en kunstmatig door den mensch bestendigd zijn, het rund slaat hierdoor niet om in eene andere, hetzij hoogere, hetzij lagere diersoort. In werkelijkheid echter vertoont iedere verandering eene duidelijke neiging, 0111 na eene of meer generaties wederom tot den oorspronkelijken vorm terug te keeren.

Sluiten