is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heeft men hiertegen van de zijde der evolutionisten ingebracht, dat de tijd, gedurende welken wij eene plant of een dier waarnemen, zoo ontzettend klein is, en dat zelfs al de eeuwen samen, die de geschiedenis der menschheid uitmaken, nog van veel te korten duur zijn, om een overgang van de eene soort in de andere duidelijk te kunnen vaststellen ; dat echter de ontwikkeling der hoogere dier- en plantsoorten uit lagere, o. a. afdoende blijkt uit het onderzoek der aardlagen. Immers de palaeontologie, zoo beweert men, leert, dat de oudste, de onderste formaties der aardkorst ook de eenvoudigste, minst ontwikkelde organische wezens bevatten, en dat, naarmate men jongere aardlagen onderzoekt, ook de daarin aanwezige fossielen eene hoogere ontwikkeling vertoonen.

Inderdaad schijnt het op het tegenwoordige standpunt der wetenschap moeilijk, deze laatste bewering geheel te ontkennen, hoewel beroemde palaeontologen als Joachim Barrande (1799—1883) en Rudolf Hoernes (geb. 1850) zulks toch doen; maar daaruit behoeft nog niet te volgen, dat b.v. de hedendaagsehe menscli zou afstammen van een tertiair aapachtig wezen, dat de mammoeten en de reuzenluiaards der tertiaire periode afstammelingen of bloedverwanten zouden zijn van de groote walvissclien en hagedissen der mesozoïsche periode, noch dat de laatstgenoemde dieren zouden afstammen van de pantservisschen, de trilobieten en de koraaldieren van het palaeozoïsche tijdvak. Immers vooreerst zijn nog slechts betrekkelijk kleine gedeelten der aardkorst volledig onderzocht, en is onze kennis der in de aardlagen gevonden fossielen nog zeer gebrekkig, zoodat voorzeker vele dieren en planten in de lagen, tijdens wier vorming zij leefden, nog niet zijn gevonden, of ook voor een deel wel reeds veel vroeger geleefd kunnen hebben dan ten tijde van het ontstaan der formaties, waarin zij ontdekt zijn; en in de tweede plaats komt een overgang van het lagere tot het hoogere ook juist overeen met het Bijbelsche scheppingsverhaal. Volgens Genesis 1 b.v. zijn de groote landzoogdieren en de mensch het laatst geschapen en worden dan ook alleen in de bovenste, de zoogenoemde tertiaire en quartaire aardformaties, gevonden.

Dat men de ontwikkelingshypothese aannemelijker heeft willen maken, door van millioenen jaren te spreken, is eigenlijk een bewijs voor de zwakheid van die leer; want wan-