is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer waarnemingen leeren, dat een dier in 4000 jaren, dat is gedurende honderden generaties, niet van soort verandert, waarom zal dat dan in 40.000, in 400.000 of in 40.000.000 jaren wèl gebeuren. Wanneer men beweert, dat alle kennis der natuur het gevolg is van waarneming door middel van de zintuigen, dan moet zulks immers op het gebied der natuurlijke historie ook het geval wezen.

Dat misschien de meeste aanhangers der evolutieleer van een Schepper en van een albesturend God niets willen weten, en aanhangers zijn van eene materialistische wereldbeschouwing, heeft eigenlijk met de descendentiehypothese of transmutatieleer als zoodanig niets te maken. Het is niet juist, wat zoo dikwijls beweerd is, dat deze leer, goed opgevat, en ontdaan van alles, wat men er in den loop der jaren aan heeft vastgeknoopt, het denkbeeld van een persoonlijken Schepper en eene teleologische beschouwing der natuur zou buitensluiten, al wordt zulks ook volgehouden, zoowel door hare hardnekkigste verdedigers als door hare heftigste bestrijders. Anders zou het ten eenen male onbegrijpelijk zijn, dat er ook onder de geloovige geleerden gevonden worden, die de afstammingsleer zijn toegedaan; zij beschouwen haar ongeveer op dezelfde wijze als de leer der zwaartekracht of als de atomenleer. Zij meenen, dat de natuurwetenschappen eene langzame en geleidelijke ontwikkeling van het heelal in 't algemeen, en van de aarde en hare bewoners in 't bizonder, moeten en in elk geval wel mogen aannemen ; dat er voor deze meening ook gronden zijn aan te voeren; dat de transmutatie onder Goddelijke leiding volgens een welberaamd plan en niet een bepaald doel voortschrijdt, en dat deze leer in geenen deele met den Bijbel in strijd is.

Want volgens hen is het volstrekt niet noodig om, al aanvaardt men de evolutieleer, daarom ook in de buitensporigheden van een Karl Vogt, Ernst Haeckel, Wilhelm Bölsche e. a. te vervallen, en haar aan den eenen kant ook op den mensch en zijne zielvermogens toe te passen, en aan den anderen kant de eerste levende wezens spontaan en toevallig uit anorganische stof te laten voortkomen. Uit een aap of uit een aapachtig dier kan nooit een mensch ontstaan. Eene generatio spontanea, een ontstaan van levende uit doode stof is nooit waargenomen; eens echter heeft dit plaats gegrepen, en wel, toen de aarde en het water