Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levensvoorwaarden aangepast hebben, erven niet alleen de oude, maar ook de nieuwe eigenschappen, waardoor hun bestaan is verzekerd geworden, op eene volgende generatie over. Eene pas verkregen eigenschap gaat echter zeer licht weer verloren; doch wanneer zij op den duur voordeelig voor het dier of voor de plant blijkt, zal de selectie der natuur, de natuurkeus, haar bewaren en van lieverlede vergrooten. Blijkt zij echter nadeelig, dan werken natuurkeus en onbruik samen om haar wederom te vernietigen. Eigenschappen, die reeds duizenden van jaren zijn overgeërfd, gaan in 't geheel niet meer verloren. Zoo leidt de natuurkeus, in verband met de overerving, tot een vooruitgang in de organisatie, tot eene verbetering van ieder schepsel met betrekking tot zijne levensomstandigheden.

De strijd om het leven moet echter nog breeder worden opgevat. Er heerscht namelijk in de natuur niet alleen een strijd om het bestaan van het individu, maar ook om het blijven voortbestaan der soort. De worsteling om de instandhouding der soort voert tot de sexueele teeltkeus (sexual selection, of: selection in relation to sex), waaraan Darwin het grootste gedeelte van zijn werk „The descent of man" wijdt, en die als een onderdeel der natuurkeus kan worden beschouwd. De sexueele teeltkeus oefent haren invloed uit door middel van den strijd der mannetjes om het bezit der wijfjes, waarbij de sterkste, vlugste, mooiste, levendigste, zij die het sierlijkst kunnen pronken of zingen, de overwinning behalen of door de wijfjes worden uitgekozen. Door deze selectie worden de eigenschappen der winnende individu's in sterke mate voortgeplant, terwijl de ongelukkige mededingers wel niet te gronde gaan, maar toch eene veel minder talrijke nakomelingschap verkrijgen. In de lagere afdeelingen van het dierenrijk, meent Darwin, zou de sexueele teeltkeus niets hebben uitgewerkt, wijl zulke laaggeorganiseerde dieren dikwijls hun geheele leven lang aan dezelfde plek zijn vastgehecht, wijl vele van hen tweeslachtig zijn, en omdat ook hun intellect nog op een te laag standpunt staat, om eene welbewuste keus uit te oefenen.

Soorten, die zeer talrijk zijn, hebben de meeste kans om wijzigingen te vertoonen en die aan de natuurkeus aan te bieden. Wanneer nu in de worsteling om het bestaan de in gunstigen zin gewijzigde organismen hunne eigenschappen op hun nakroost hebben doen overerven, zal er klaar-

Sluiten