Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten worden aangenomen, dat men nauwelijks kan verwachten, die ooit alle in de natuur te zien verwezenlijkt.

In vele gevallen is dan ook de natuurkeus niet in staat geweest, om de nakomelingen van sommige soorten in het leven te behouden; men denke slechts aan zoo menige uitgestorven diersoort uit vroegeren en lateren tijd, als pterichthys, ichthyosaurus, brontosaurus, dinotherium, dinoceras, mammoet, dodo, moa, die geen afstammelingen hebben nagelaten. Was er toen geen strijd om liet leven, of hebben al die soorten der natuurkeus geene enkele gunstige wijziging aangeboden; waren zij geen van alle vatbaar voor verandering, voor ontwikkeling ? Niettegenstaande de vervolgingen, waaraan zij in de laatste eeuwen blootstonden, hebben noch de reuzenalken, noch de struisvogels, betere vleugels verkregen ; noch de hazen langere pooten. Hiervoor was de tijd te kort, zullen misschien de Darwinisten zeggen; doch'' wacht maar eens honderd duizend jaren en dan zult ge eens zien. Ja, dan springen misschien de hazen over onze huizen, en de honden, die ze achtervolgen, eveneens!

Vergt men waarlijk niet te veel van iemand, wanneer men hem wil doen gelooven, dat de natuurkeus door middel van den strijd om het bestaan in staat zou zijn, om toevallige nuttige wijzigingen, die misschien over eenigen tijd niet meer nuttig, maar misschien zelfs wel nadeelig zijn, zoover te vergrooten en te versterken, dat daardoor ten leste diervormen zouden ontstaan, die geheel en al van hunne voorouders afwijken! Men kan zoo iets wel met schijn van gronden beredeneeren, maar daarom is het nog niet zoo: eigendom is nog geen diefstal en de mensch is nog geen ontwikkeld aapachtig wezen, al is dat ook met tal van schoonklinkende woorden verkondigd. In het laatste hoofdstuk zijner „Oorsprong der soorten" beklaagt Darwin zich bijna over zijne tegenstanders, wanneer hij zegt: „het verdient bizondere vermelding, dat de meer belangrijke tegenwerpingen tegen mijne theorie juist die dingen gelden, waai van wij absoluut niets weten" ; men zou hier geneigd zijn te vragen: maar Darwin, waarom hebt gij dan over die dingen op zulke eene wijze geschreven ?

Het schilderen van de manier, waarop twee dieren in elkander zouden kunnen overgaan, is geen groot kunststuk; iemand met eenige verbeelding kan zeer goed op eene aangename wijze in den trant van Haeckel beschrijven, hoe b.v.

Sluiten