is toegevoegd aan uw favorieten.

Twee vragen des tijds

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest, als zij aan hare nakomelingen heeft gedacht, aan een Lamarck, een Darwin, een Haeckel en vooral aan een Gustav Jaeger (geb. 1832), welke laatste zich zelfs het vermogen toeschrijft, de ziel te kunnen rniken. Lancetvisch, prik, haai, vischsalamander, olm of proteus, watersalamander, hagedis, vogelbekdier, buidelrat, maki, meerkat, menschaap, aapmensch en echte mensch zijn de laatste 14 vormen van onze ontwikkeling.

De aapmensch of oermensch, die de stamvader van alle andere menschensoorten werd, en veel had van den tegenwoordigen Papoea en Nieuwhollander, is volgens Haeckei. reeds lang uitgestorven. Hij zou in de tropische streken der Oude Wereld ontstaan zijn uit menschapen, die ook al lang van het wereldtooneel zijn verdwenen, maar veel op een orangoetan of op een gorilla geleken hebben. Hij bezat vermoedelijk kroes, wollig hoofdhaar, een langen schedel, scheef staande tanden, lange armen, korte beenen en eene donkerbruine huidkleur. Hij kon nog niet goed rechtop loopen, en bewoonde Lemuria, een land, dat er ook niet meer is, dat dus misschien ook door de inwerking van den strijd om het bestaan en de natuurkeus is te gronde gegaan. Of die Papoeachtige aapmensch ook al iets van het Christendom geweten heeft ? Hierover laat Haeckel zich niet uit; men mag echter haast vermoeden van wel, wijl hij ergens zegt van een familielid van een der verste dierlijke voorouders van den mensch, van de mieren namelijk, „dat hun sociaal instinct, met name hun bewonderenswaardig plichtgevoel, rondweg gesproken, Christelijk is". Haeckel weet het blijkbaar heel goed, maar zorgt wel, dat we hem niet kunnen narekenen, want de factoren, waarmee hij opereert, zijn zoo goed als «alle verdwenen.

Er leven thans volgens Haeckel tien verschillende soorten — niet: rassen — van menschen op aarde, die natuurlijk niet van een enkel paar zijn afgestamd, maar zich alle uit verdwenen menschapen, die waarschijnlijk nog geene spraak bezaten, hebben ontwikkeld. „Het doel der natuurwetenschap is enkel en alleen waarheid, en zij kan dit doel alleen naderbij komen langs den onbedriegelijken weg van zinnelijke waarneming en logische redeneering", zoo uit zich Haeckel in zijne rede „Over het ontstaan van hetmenschelijk geslacht". Met het oog op zijne voorstelling van de afstamming des menschen zou men geneigd zijn te vragen:

6