Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1891 vond de Nederlandsche hoogleeraar Marie Eugène FiiANgois Thomas Dubois (geb. 1858) op het eiland Java, in het dal der Bengawan, bij de dessa Trinil, in eene ouddiluviale laag, en wel in eene bezinking van vulkanische uitwerpselen in water, het bovenstuk van een schedel en 15 meter van daar een paar kiezen en een dijbeen. Dubois construeerde hieruit een wezen, dat eene opgerichte houding zou gehad hebben, en welks schedelinhoud ongeveer het twee derde gedeelte zou hebben bedragen van dien des menschen. Hij hield dit fossiele dier voor een overgangsvorm tusschen mensch en aap, voor een voorlooper van den hedendaagschen mensch, en gaf het den naam: pithecanthropus erectus, of : rechtopgaande aapmensch. Het kan ons niet verwonderen, dat de vondst dezer jongtertiaire of ouddiluviale beenderen en vooral de daaruit door Dubois gevoijnde aapmensch groot opzien verwekte. De beenderen zijn werkelijk versteend, en het wezen, waarvan zij afkomstig zijn, is vermoedelijk onder het zand van een vulkaan bedolven, waarna de beenderen door water zijn weggespoeld. Sommigen hebben beweerd, dat het dijbeen en de kiezen waarschijnlijk niet bij het schedelfragment behooren; anderen daarentegen wijzen er op, dat er in de naaste omgeving geen andere beenderen gevonden zijn, en er dus groote waarschijnlijkheid bestaat, dat de gevonden overblijfselen wel tot één en hetzelfde individu behooren. Het gesteente, waarop de aardlaag rust, die de beenderen heeft opgeleverd,' behoort tot het middelste, het miocene gedeelte der tertiaire formatie.

Het voorhoofd van den pithecanthropus is laag en achteruitwijkend, en wel in zulk eene erge mate, als dat nooit bij een mensch voorkomt; ook de tanden gelijken niet op die van den mensch. De lengte van het dier moet ruim 1.6 meter hebben bedragen. Het gevonden dijbeen is geheel recht, en dit komt volgens Hermann Klaatsch niet bij menschen, maar wel bij jonge gibbons voor. Daarom houden Rudolf Virchow en H. Klaatsch den schedel voor dien van een gibbon, een apengeslacht, dat nog heden vrij talrijk op de Soenda-eüanden voorkomt. Ook de anatoom Julius Kollmann (geb. 1834) houdt den aapmensch van Dubois voor een gibbon, dus voor een echten aap.

Bijna even driest als Haeckel is de reeds genoemde Gustav Jaeger, de man der wollen onderkleeren. In zijn boek „Die

Sluiten