is toegevoegd aan uw favorieten.

De overwinning des geloofs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

De Heer was mijn schild; wat de Ouderlingondervonden had was de ervaring van de Gemeente in haar geheel, zij bleef te Emden in stand; zij behield hare oude en trouwe leeraars nog geruimen tijd 56), hen onderhoudende uit eigen beurs; ter versterking des geloofs ja, maar ook als een blijk dat ze, schoon zonder hope, naar den mensch, toch nog altoos in de hoop op zege leefde. Jan Arentszoon en Pieter Gabriël woonden zelfs, als vertegenwoordigers van eene Nederlandsche gemeente, de in dat onvergetelijk „asylum der kerke Gods" gehoudene Synode ") bij, de Synode „van de Nederlandsche kerken die onder 't kruys sitten en in Duitschland en Oost-Vrieslandt verstrooit zijn." Hoe welsprekend en zinrijk is niet dit eenvoudige opschrift, het opschrift van hare besluiten, en schier elk lid van die zedelijk „hooge" kerkvergadering kende bij ervaring het lijden dezes tijds en hoorde telkens van toenemende donkerheid en klimmende verdrukking. Zij schreven toch 1571, het jaar waarvan men wel op de treurigste wijs zingen mocht:

„Hoe duyster is de sonne,

Sy gheeft soo droeven schijn,

Als waert een helsche 'tonne,

Sy brant soo zwart fenijn:

My dunkt sy wil ons moorden,

En leyden in 'tlaetste verdriet,

lek hoor soo valsche woorden,

Wij dwalen aan allen oorden,

't Schijnt Godt van Hemel niet" 5S).