Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te betreuren voorzeker is liet, dat de Regeering niet heeft ingezien , lioezeer al deze maatregelen met het wezen der Kerk van Christus in strijd zijn. Maar geenszins ligt hier de schuld enkel aan hare zijde, want die maatregelen zoude geen Gouvernement hebben durven nemen, indien niet toen reeds de publieke opinie geheel losgescheurd ware geweest van onze Christelijke traditie, en de Kerken öf afvallig geworden óf in een diepen slaap gedommeld waren geweest.

Zoolang de Gereformeerde Kerken, als Kerken onder 't Kruis, ondervinden moesten, wat het in deze wereld zeggen wil den Heere Jezus Christus, ook tegenover de aardsche machten, als Koning te [erkennen, gevoelden zij de noodzakelijkheid van eene gemeenschappelijke belijdenis en de kracht die daarin gelegen is; beseften zij ook dat, om dien Heer te mogen dienen, het niet te zwaar valt zich zeiven te geven. Maar zoodra de Magistraat haar tegenover hare tegenstanders in zijne bijzondere bescherming nam, ontsnapten ook zij niet aan het gevaar van door hare hooge beschermers te worden doodgedrukt. Reeds van den aanvang der Reformatie af stelden de machthebbers dezer wereld allerlei pogingen in het werk, om aan de door hen verleende bescherming de voorwaarde van overheersching te verbinden. Doch het geloof der gemeente was nog te* krachtig om dat te dulden. Moedigen en volhardenden tegenstand boden de Gereformeerde Kerken tegen het indringen in haar midden van valsche leeraars, en al moesten zij,even als 50 jaren vroeger, om aan den Heer der gemeente getrouw te kunnen zijn, somtijds in strijd komen met de bestaande orde, het Koningschap van onzen eenigen Heer en Heiland woog bij haar zwaarder dan eene Kerkenordening, waarvan de burgerlijke Overheid misbruik maakte 0111 hare macht te stellen in de plaats van het gezag der Kerk.

Het behaagde den Heere de volhardende toewijding Zijner Kerken te bekroonen. De Generale Synode van Dordrecht van 1618/19 mocht de ware beginselen der Kerk weer op den voorgrond stellen. Doch reeds gedurende hare zittingen liet de Overheid niet af van hare pogingen, 0111 de Kerken in meerdere of mindere mate van haar af hankelijk te maken. Overal en onophoudelijk werden die pogingen herhaald, en, al liet in beginsel geene Kerk^die overheersching der wereldlijke macht toe, anders was de praktijk. Van het goedvinden der Overheid hing het in die tijden af, of de kerkelijke en geestelijke goederen en

Sluiten