is toegevoegd aan uw favorieten.

Open Brief aan Professor Dr. A. Kuyper, in zake het ambt der overheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmerking gemaakt. Gij schrijft er van, dat het, volgens die zinsnede, „de plicht der overheid zou zijn alle ketterij uit te roeien." Hiertegen wordt door U beweerd, „dat niet alleen dit niet de plicht der overheid is, maar dat de overheid dit zelfs volstrekt niet doen m a g."

\ ervolgens wordt door U eene verklaring van die zinsnede gegeven en gezegd „dat artikel 86 der Geloofsbelijdenis aan de overheid den plicht oplegt, en haar de bevoegdheid geeft, om ketters, desnoods te straffen met den zwaarde, en al naar de strafwet wordt ingericht, te radbraken, te martelizeeren en te doemen ten vu re."

'V olgens uw gevoelen is er voorts „geen de minste twijfel overig, of Guido de Bres, die onze Geloofsbelijdenis opstelde, en onze vaderen die haar aannamen, verstonden de gewraakte zinsneê uit Art. 36 in gelijken zin, en bedoelden daarmeê dat de overheid recht en plicht had, om ketters c. q. ter dood te brengen."

Wie derhalve met de Belijdenis in de bedoelde zinsnede vereenigd is, moet, altoos volgens uw gevoelen, zeggen: „Wij zijn van oordeel, dat de overheid recht en plicht heeft, om ketters ook nu nog, desnoods op het schayot te executeeren."

Zoo gaat Gij voort, en legt eindelijk deze quaestie peremptoir in het midden der gemeente neer: „Gij, kinderen Gods in den lande, zoudt ge waarlijk willen, dat onze Koning op het schavot b.v. alle godloochenaars en alle modernen en groningers om hals liet brengen, of zoudt ge met ons van zoo bloedig bedrijf gruwen? „Een ieder die met U zegt: „Ik zou er van gruwen! moet dan ook, volgens uwe bewering, „tegen deze zinsnede in Art. 36 protesteeren."