is toegevoegd aan uw favorieten.

Open Brief aan Professor Dr. A. Kuyper, in zake het ambt der overheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nisten achten het niet nadeelig en willen desnoods met dynamiet hun gevoelen doordrijven. Wat moet nu de overheid doen? Zij is Gods dienares, niet derhalve van menschen, maar van Hem, door wien de koningen regeeren. Nu is het ontegensprekelijk, dat de overheid moet vragen: wat gebiedt God? en Hij, die zegt: „Gij zult niet stelen", zegt evenzeer: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben." Mag dan de overheid het eene gebod handhaven en het andere laten overtreden? Immers neen! Wat dan? diefstal, roof, doodslag en dergelijke zonden moet zij weren en uitroeien, maar niet minder afgoderij en valschen godsdienst, en voorts alles wat tegen Gods wet in strijd is en zich door daden openbaart.

Maar op welke wijze moet de overheid die strafbare daden tegengaan? Zeker met verstand, met wijsheid en voorzichtigheid. Als onze kinderen kwaad doen, trachten wij het kwade bij hen te weren en uit te roeien, maar beginnen niet met hen aanstonds ten bloede toe te geeselen. Ook de overheid heeft eene vaderlijke, geen despotische macht. Met deze macht bekleed, behoeft zij niet aan U, of mij, ook niet aan de Hervormde, of aan de Christelijke Gereformeerde Kerk, of aan andere genootschappen te vragen, hoe zij tegen de openbare misdadigers zal te werk gaan. Zij is Gods dienares, en vervult zij hare roeping, dan vraagt zij het Hem, wiens dienares zij is.

Ik deins niet terug, als iemand zegt: dan zoudt Gij willen, of oordeelen, dat men desnoods wegens afgoderij en dergelijke zonden met den dood gestraft werd. Desnoods zeker, gelijk ik beweer, dat aan doodslagers en anderen soms die straf moet voltrokken worden. Ik wil niet scheiden wat God heeft samengevoegd; ik wensch de overtredingen der tweede tafel van Gods wet niet minder strafbaar voor de overheid te noemen, dan die tegen de eerste tafel ge-