Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machtige slachttanden gewapend, leefde meer in 't Noorden, in 't tegenwoordige Siberië. Men heeft zelfs in het ijs der Poolzeëen zulke dieren, die misschien ten tijde van den zondvloed daarheen zijn gedreven, zóó goed bewaard gevonden, dat honden zich van het vleesch nog wilden voeden en zelfs reizigers een gebraad van zulk meer dan duizendjarig vleesch niet versmaadden.

Behalve de genoemde dieren liepen ten tijde van den zesden scheppingsdag in de wouden ook ontzaglijke hagedissen rond, sommigen tot 70 voet lang en hooger dan een stier ; geschubde dieren van 14—24 voet lengte met zeshoekige of spitse platen bedekt, zoo hard als staal. Verder vele kleinere diersoorten, tot hooiwagens en spinnen toe, die we nu nog zuiver ingebalsemd vinden in 't barnsteen, 't welk zelf niets anders is dan 't langzamerhand hard geworden dennen hars.

Alzoo werd het dier geschapen, dat nu nog in oneindige variaties onze aarde bevolkt. Wat er eens met deze dieren geschieden zal op de nieuwe aarde, weten we niet. Toch wijst de Heilige Schrift er duidelijk op op (vergel. Jes. 11) dat zij evengoed als in liet eerste paradijs, zoo ook onder de boomen van het tweede paradijs zullen wandelen. Weliswaar eischt de eenvoud der Schrift, dat we gewaagde speculaties en fantasiëen zullen vermijden, maar aan de andere zijde moeten we toch ook ons er voor wachten, dat we ons de toekomstige wereld niet te arm en te ledig voorstellen. De hemel is niet maar eene groote zaal, waar men altijddoor bij elkander zit, maar eene schoone wereld, ja een volheid van werelden, die allen afstralen de heerlijkheid Gods.

Sluiten