is toegevoegd aan uw favorieten.

De schepping

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipend gedierte op deze aarde waarin eene levende ziel is, heb Ik al het groene kruid gegeven tot spijze. En het geschiedde alzoo."

Gen. 1 : 26—30.

Pe aarde was nu gereed en overal bloeide heerlijk leven ; maar de schepselen wachtten nog op hun zichtbaren koning. Daar spreekt God niet maar zonder meer een scheppingswoord, maar Hij gaat als 't ware met zichzelf te rade: ,/Laat ons menschen maken, een beeld, dat ons gelijk zij !" Welk eeneeere! Alzoo een onderkoning Gods op aarde, op God gelijkend, Zijn beeld, een onbeperkt heerscher over alle schepselen, een middelaar tusschen hen en God! — En wat heeft nu satan, wat de zonde van hem gemaakt ? Een armen slaaf van zijne lusten en begeerten, die in zijn ziekelijk lichaam wegsterft, ter aarde gebukt gaat, zweet en weent, en niet meer de schepping beheerscht, maar ze vreest met gestadigen angst. Hij vreest de hitte der zon, en den kouden tocht der lucht, het vuur en het water en de dieren des velds; hij vreest het leven en den dood. Al zijne macht en wetenschap vermogen niets tegen de bladluis en de aardappelziekte en de onzichtbare kiemen der cholera. Hoe is toch de koning der aarde met al zijne heerlijkheid gevallen !

En toch ziet ge nog aan het lichaam des menschen de teekenen zijner vroegere waardigheid. Niet gelijk de dieren in de lengte uitgestrekt en met het aange-