is toegevoegd aan uw favorieten.

De molenaar van Heinsdijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neem daar bij het vuur plaats", begon Titelman op spottenden toon. „Gij zult u gewis wel eens willen warmen".

De gevangene ontroerde; aan die stem herkende hij den onmensch, die er steeds een wreedaardig vermaak in vond zijne slachtoffers te beangstigen en te kwellen. Als Saulus, zoo noemden de vervolgden hem, was ook hij blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren en verspreidde hij overal schrik en ontsteltenis.

Er zouden zeker ernstige oogenblikken voor hem aanbreken, want thans bevond hij zich in het hol van den leeuw.

De Grave trad hinkend naar voren en plaatste zich bij het vuur, welks warmte hem bijna flauw deed vallen, gewoon als hij in zijnen kerker geworden was aan de hevigste koude.

De Inquisiteur sloeg eenen onheilspellenden blik op den gevangene en zeide: „Daar wij hier vergaderd zy'n om te hooren, wat gij gelooft, zoo vraag ik u: hoe denkt gij over de Roomsche kerk en de leeringen van den Paus?"

„Mijn geloof", was het antwoord, „heb ik zonder eenige geveinsdheid bij herhaling beleden. Ik herhaal nog eens, dat ik mij alleen aan het Woord Gods houd en steun op den grond der Apostelen en Profeten en niet op menschelijke leeringen, die daarin niet vervat zijn, of daartegen strijden. Kunt gij mij dus uit het Woord des Heeren bewijzen, dat, hetgeen ik belijd, daarmede strijdig is, dan wil ik mijne dwalingen herroepen. Kunt gij dit echter niet doen, waarom houdt gij mij dan gevangen en zoekt gij mij te dooden?"