is toegevoegd aan uw favorieten.

De molenaar van Heinsdijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gelooft gij niet", vroeg Titelman op strengen toon, „dat de Heere God lichamelijk in de hostie tegenwoordig is?"

„Volstrekt niet", hernam de Grave kalm, „dat zou tegen Gods Woord zijn. De Heere woont niet in tempelen, met handen gemaakt, en hemel noch aarde kan Hem bevatten. Hoe zoudt gij Hem dan in zulk eene enge plaats kunnen besluiten? Dat dit waar is, kunt gij zelf in mijn Testament, dat ik hier heb, lezen".

De beschuldigde haalde bij deze woorden den Bijbel te voorschijn en reikte hem den geloofsrechter toe.

Titelman beet zich op de lippen van ergernis en woedend over zooveel tegenstand, als hij hier moest ondervinden, greep hij het Nieuwe Testament en wierp het met eenen vloek in de vlammen.

Een der beambten sprong evenwel toe en wist het boek tijdig genoeg nog te grijpen.

De Inquisiteur was hevig verbitterd en zich als een waanzinnige aanstellende, schreeuwde hij: „Helsche ketter, valsche profeet! Ik zou u in het aangezicht kunnen slaan".

En de vuist opheffende, wilde hij den gevangene eenen slag geven, toen de burgemeester dit wist te verhinderen.

„Sla den man niet", smeekte hij, „maar laat hem recht wedervaren!"

Titelman bedwong zich met moeite en na eenige oogenblikken van doodsche stilte begon hij opnieuw: „Gelooft gij niet, dat er een vagevuur is, waar de zielen gezuiverd moeten worden na den dood ?"