is toegevoegd aan uw favorieten.

De molenaar van Heinsdijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vaarwel, mijn broeder", riep hij, terwijl hij hem nog eenmaal de hand ten afscheid drukte. „De tijd van mijne oproeping is nabij. Ik heb den goeden strijd volstreden en ga naar den hemel. Vestig uw oog op den Heere en vertrouw u aan Zijne hoede. Hij zal voor u zorgen".

Diep geroerd bracht de gevangene hem zijnen groet en, na gebonden te zijn, werd de Grave voortgeleid. De vijand liet ook thans den trouwen belijder niet met rust. Twee monniken wendden al hunne overredingskracht aan om zijn geloof te schokken.

Doch alles was verloren moeite.

„Vreest gij den dood niet?" vroeg een van hen.

„Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te wezen", antwoordde de martelaar, „want dat is zeer verre het beste".

„Gelooft gij niet aan de heiligen?" vervolgde de ander, zijnen bespiedenden blik op het gelaat van de Grave vestigende.

„Ik geloof in den eenigen, almachtigen en eeuwigen God, Die hemel en aarde geschapen heeft!"

„Is Christus niet lichamelijk in de mis tegenwoordig?"

„Vermoei mij niet met uwe dwaze redeneeringen", verzocht de Grave. „Christus is immers in den hemel, vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden".

„Gij zijt 'n snoode ketter", sprak de monnik vinnig.

De veroordeelde zweeg en smeekte den Heere om hulp.

Intusschen was men het rechthuis genaderd.

Een dichte menigte verdrong zich om den marte-