Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzochte de snaren maar aanslaan, om hulp en troost te verkrijgen, de verzochte waar hij ook is, denkt altijd, dat hij de grootste zondaar is, en de onwaardigste om het eeuwige leven te ontvangen.

Dit is satans meesterstuk, hij zegt tegen zulke zielen : gij zijt een verschrikkelijke zondaar, een huichelaar, gij hebt een onrein hart, gij zijt iemand die vervreemd van het werk der genade is.

Ik zeg, dat is zijn meesterstuk; hij doet daarmede gelijk de Zangers met hunne bekoorlijkste liederen, hij zingt het overal! Ik geloof, dat er weinig geloovigen in de wereld zijn, die deze verzoeking niet in de ooren geblazen is, maar indien zij er maar recht opletten, drijft de satan hen juist naar de eeuwige opening waardoor zij zijn gebrul kunnen ontkomen. Zeggende gij zijt een groot zondaar, een verschrikkelijk zondaar, een groote ellendeling, wiens weerga niet te vinden is.

Dan zegt Christus tot zijne dienstknechten biedt de genade in de eerste plaats den grootsten der zondaars aan, zoodat de verzoeking des satans geen kracht op hem heeft en hij zich dadelijk in de armen van Mij werpt.

Was de verzochte maar spoedig bij de hand, dan zoude hij zeggen: ja satan, dat ben ik, ik ben een groote zondaar, een van de ergste soort, en daarom, heb ik Jezus Christus noodig; ja, omdat ik zulk een ellendeling ben, roept mij Christus, ja, Hij roept mij het eerste, de eerste aanbieding is aan den Jeruzalemschen zondaar geschiedt. Ik ben zulk een, daarom gaat achter mij satan, maak plaats, opdat ik volgens mijn recht het eerst tot Christus kome.

Dit zou hem juist voor zijne verzoeking betalen, dit zou hem zijn doel doen missen, ja dit zou hem doen zeggen: zoo moet ik niet met hem handelen, want dan geef ik hem een zwaard in de hand, om mij het hoofd af te slaan.

Dit bedoelt Petrus, toen hij zeide: wederstaat, vast zijnde in het geloovea, 1 Petr. 5 : 9, en Paulus, toen hij zeide: doet aan het schild des geloofs, met welk gij al de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen, Epheze 6 : 16.

Daarom wordt er gezegd: „Beginnende te Jeruzalem", en zouden

Sluiten