is toegevoegd aan uw favorieten.

De Jeruzalemsche zondaar gezaligd of Goede tijding voor den grootste der zondaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene eeuwige uitnoodiging en beweegreden voor den grootsten zondaar tot Christus om genade te komen.

Nu, volgens het oordeel van alle menschen, de afvallige zulk een groot zondaar is, indien hij gelijk ik even zeide: eenig leven in zich heeft, laat hem vrijmoedigheid hebben om terug te komen, opdat hij door Christus behouden wordt.

Ten elfde. Wilde Christus, dat de genade in de eerste plaats aan de grootsten der zondaren werd aangeboden, laten dan Gods dienaars dit verkondigen. Daar is eene geneigdheid in ons, ik weet niet hoe het komt, om wanneer wij bekeerd zijn, op andere laag neer te zien. Wij zijn arme dwazen, en wij vergeten dat wij eertijds zelf zoo waren, Tit. 3:2, 3.

Maar zou het niet beter zijn*, daar wij gesmaakt hebben, dat de Heere goed is, om ons zoo jegens hen te gedragen, dat zij er door overgehaald worden, om te gelooven, dat wij genade ontvangen hebben, om hun de deur te openen, opdat zij met ons deelgenooten mochten worden. Ik zeg: de leeraars moesten dit doen door hunne leer en in alle andere opzichten.

Wij behooren niet terugstootend te zijn, zöo min in de leer als in den wandel. Wij leven door genade, laten wij geven, wat wij ontvangen hebben, en arbeiden om onze medezondaren, die God achter gelaten heeft, over te halen opdat zij ook met ons de genade deelachtig worden. Wij zijn door genade zalig geworden, laat ons leven als begenadigden, laat alles in de liefde jegens hen gedaan worden, laten wij medelijden met hen hebben, laten wij voor hen bidden, veel met hen omgaan, voor hun welzijn zorgen, laat ons onze dwaze wereldschen vl'eeschelijke grootheid ter zijde leggen, wachten wij ons door de straat te gaan, als of wij die armen, die achter ons gelaten zijn, niet met een tang zouden durven aanraken, zoo behooren wij niet te handelen.

Gedenkt aan uwen Heere, Hij was gemeenzaam met tollenaren en zondaren, zoo zelfs, dat men er algemeen over sprak. „Zie daar een vraat en een wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren," Matth. 11 : 19. Wat het eerste gedeelte aangaat, was