is toegevoegd aan uw favorieten.

De Jeruzalemsche zondaar gezaligd of Goede tijding voor den grootste der zondaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo wel in de wereld, als naar het Evangelie te wandelen: en niets is zoo onbetamelijk voor een redelijk mensch, dan te zeggen: Ik geloof in Christus, als hij toch een losbandig leven leidt; zulke moesten tot de laagste der menschen gerekend worden;'zulke moesten geacht worden, den naam van Christus niet waard'te zijn. Ja, zij moesten door iedere oprechte ziel geschuwd worden, als dezulke, die een pest in de gemeenten zijn, want er staat geschreven, en zoo moeten wij het ook zeggen: dat zij een gedaante van Godzaligheid hebben, en derzelve kracht verloren hebben: keer u af van dezulke.

Het is mij dikwerf in de gedachte gekomen om te vragen: hoe komt het toch, dat de belijdenis des Evangelies zoo besmet is met goddelooze en vleeschelijke belijders ? Ik kan nooit beter antwoord erlangen dan dit: die menschen zijn bekeerlingen des duivels, en hij steekt ze maar tusschen de andere godvruchtigen.

Een zeker man had een onvruchtbare vijgeboom in zijn wijngaard, maar wie had dien geplant? Wel dezelfde die het onkruid zaaiden, zijne eigen kinderen onder de tarwe, Luc. 13 : 6, Matth. 13 : 37—40. En dat was de duivel, maar waarom doet de duivel dit? Niet omdat hij hen zoo lief heeft, maar om hen tot ergenis en struikelblokken voor Gods volk te maken. Want hij weet w&l dat een losbandig lid der kerk, meer kwaad aan de godsdienst doet, dan zij die in de wereld zijn.

Gelooft gij niet dat de duivel de dienstmaagd van welke wij in Hand. 16 lezen, opstookt, om uit te roepen: deze zijn de dienstknechten des Allerhoogsten die ons den weg der zaligheid verkondigen. Ja, voorzeker! Dit blijkt daaruit, dat Paulus er zich over bedroefde. Maar waarom deed de duivel haar zoo roepen? Wel omdat dit de beste wijze was, om het Evangelie te beschadigen, en om de wereld te doen denken dat het van dezelfde hand kwam, als haar waarzeggen, vs. 16 18. „Heilig, o Heere! is uw huis tot in eeuwigheid!"

Laat daarom, wie ook den naam van Christus belijdt, zich wachten zijne belijdenis schande aan te doen, daar hij dezelve zoo genadelijk aan ons aangeboden heeft, daar wij de grootste zondaren