Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al schreibende; men vraagde: „Domme! zijt gij elders beroepen in uw ouderdom, gaat gij ons vferlaten?" Zijn Eerw. verwonderde zich ovier zulke vragen, zeggende: „Wie haalt zich toch zulke dingen in 't hoofd! ik ben nergens beroepen, en "ik denk u ook niet te verlaten." Toen zeiden zij allen: „Och, dan zult gij weggenomen worden, dan is uw werk hier afgedaan!" Zijn'Eerw. nog al meer verwonderd zijnde zeide: ^,Hoe komt gijlieden toch aan zulke dingen ?"" Zij antwoordden : „Die leerredenen van van daag hebben ons zulks doen denken." Waarop Dominé antwoordde: mij dunkt ik in lang zoo gemoedigd niet gesproken, en mij dacht dat ik vele onder u ie en riem ondier het hart gestloklen heb, door middel van de troostvolle beloften die de mond der waarheid u zelfs kwam toeroepen; ik heb oo"k nog nooit met meer kracht en sterkte gepredikt als dezen da|g; hij gebruikte meer andere dergelijke redenen, om die bedroefde menschen in andere gedachten te brengen, doch alles was te vergeefs; zij bleven er maar bij dat Dominé niet lang meer leven zoude. Toen die lieden vertrokken waren, zeide Dominé tegen zijne vrouw: „Kind!! hoe komt u die dwaasheid van velen uit de Gemeente voor?" — ,,Mij dunkt," zeide zij, „dat God u van uw post zal aflossen, en gij hier spoedig afgddaan zult hebben." „Wel kind!" zeide hij, „dat verwondert mij nog meer, dat gij ook zulke gedachten hebt! ik weet wel dat ik alle oogenbliklken afhankelijk ben van den Heere, en dat "Hij mij kan wegnemgen als het Hem behaagt, maar wat dat aangaat, de Heere geeft mij zoo veel kracht en gezondheid, dat ik niet weet in jaren zoo gezond te zijn geweest; en daarom kan ik mij niet begrijpen hoe gijlieden aan zulke dingen komt. Ondertusschen werd zijn vrouw hoe langer hoe meer (laarin bevestigd.

Des anderendaags ging zijn Eerw. naar de Classis van Dordecht op een wagen naar Streefkerk rijden; Dominé zat voor in den wagen-, ten het waaide een sterke Noord-Oosten-Wind, waardoor zijn Eerw. 's avonds te huis komende wat vermoeid en verkouden was, doch hij klaagde er niet over voor Dinsdag morgen: toen zeide hij tegen zijne vrouw, ik heb wat pijn in mijn hoofd,

Sluiten