is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over Hosea 11: 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun drukkend juk, en gaf hun vrede, ruimte en overvloed van alles. — O! hoe teeder en liefderijk handelde Hij steeds met hen! Wat waren zij daarvoor niet eene groote dankbaarheid aan Hem verschuldigd, en hoezeer waren zij niet verplicht, Hem, als hunnen genadigen Vader en barmhartigen Heere en Koning, in liefde en gehoorzaamheid steeds te dienen.

Dit achten wij hier genoeg gezegd tot verklaring van de tekstwoorden in den letterlijken zin.

B. Doch nu is er niets zekerder, dan dat het volk Israëls onder het Oude Testament een levend voorbeeld of afbeeldsel geweest is van Gods geestelijk volk namelijk van alle ware uitverkorenen en geloovigen onder het Nieuwe Testament, en dat des Heeren handelingen met het oude Israël enkel hebben gediend tot eene figuurlijke schilderij van Zijne geestelijke handelingen en Zijne regeering van het ware Israël onder het Evangelie. Het geheele Oude Testament hoe wijduitges trekt het ook mag zijn, is niet anders dan een zeer kunstig, schaduwachtig afbeeldsel van het Nieuwe Testament. Het eene is de schaduw, het andere is het lichaam zelve. Dit is de sleutel, waarmede wij, bij het licht des Heiligen Geestes, de beide Testamenten of Verbonden moeten openen, en waar langs wij tot een ware kennis van Gods ganschen raad moeten komen. Het Oude Testament is de bediening der letter; het Nieuwe Testament is de bediening des Geestes. Zulks leert ons ook de Apostel, als hij zegt: „Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter* Rom. 7:6; alwaar de Apostel ook in de eerste plaats ziet op de ceremoniëele wet des Ouden Testaments, van welke de geloovigen nu vrijgemaakt zijn door den Geest des Evangelies. Op dien grondslag is er dan niets lichamelijks of letterlijks onder het Oude Testament in Gods gansche regeering van Zijn volk Israël in dien tijd, hetwelk nu Zijne geestelijke waarheid of vervulling niet heeft in Christus' regeering van Zijn geloovig volk