is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over Hosea 11: 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen hunne bitterheid nog bitterder maakt, is, dat zjj veeltijds niemand in de wereld hebben, waaraan zij hun bang gemoed eens met gulheid en vertrouwen ontlasten kunnen; zij moeten het alléén torsen, en tot berstens toe bij zich zeiven opkroppen. 10). Daar zijn er ook, die jammerlijk gaan kwijnen aan ongeregelde lusten en begeerlijkheden des vleesches, aan verborgene zouden en harteplagen, aan verouderde, ingekankerde, verdorvenheden; zij dragen er magere kinnebakken en bleeke aangezichten van, en hoe veel zij ook al zuchten, schreien, bidden en woelen, het kwaad wordt des te erger; evenals zij, die in eene moddersloot gevallen zijn; hoe meer moeite zij doen om er uit te komen, hoe dieper zij er in zakken. Arme zielen! zij werken om zich zeiven te verbeteren, en het is toch maar den Moriaan gewasschen. 11). Ja, daar worden er zelfs gevonden, die, als zij hunnen meester, den satan, vele jaren trouw gediend hebben, dan nog eindelijk eenen rampzaligen strop van hem krijgen, tot hunne belooning; die op het einde zoo zeer door de zonde vermoeid en afgemat zijn, dat hun juk hen, en zij hun juk niet langer dragen kunnen; dan leggen zij ten laatste de hand aan zich zeiven, om zich met geweld los te scheuren, en toch maken zij hierdoor hun juk nog wel duizendmaal vaster op hunne kinnebakken. 12). En wat zullen wij zeggen van de arme geloovigen vóór hunne bekeering? Als God begint Zijne almachtige hand aan hen te leggen, en Zijn heilig gebod tot hen zendt, om de zonde weder in hen levend te maken; als de Geest der dienstbaarheid tot vreeze zoo krachtig in hen werkt, dat zij den zwaren last van de zonde en van Gods toorn levendig gevoelen op hun geweten; als zij zich zeiven oogenblikken in het gevaar van eene eeuwige verdoemenis bevinden, en nergens eenige redding of uitkowst voor zich aanschouwen: o, hoe benauwd drukt hen dan het iuk des satans op hunne kinnebakken! Wat is er dan eene droefheid, schaamte, vrees, berouw en nare onrust in hunne zielen, wat schreien en kermen, roepen en woelen zij dan niet, om van de banden der hel en