Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des doods los te geraken, totdat zij er eindelijk geheel hulpeloos en radeloos bij nederzinken, en alles ten eenenmale opgeven I Niemand in de wereld zal dit ooi recht verstaan, indien hij het nooit heeft ondervonden in zijn eigen ziel. — Wat is dan het juk der zonde toch anders dan een juk van nare ellende en van rampzalige dienstbaarheid? „Want de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede," Jez. 57:21. En valt het hier op de wereld al zoo bang te dragen, wat zal het daji hier namaals in de hel wezen, waar voor de zondaren nooit iets anders zal zijn, dan eene onophoudelijke weening der oogen en knersing der tanden; want hier weet men zijn verdriet nog dagelijks te verzetten met de genietingen van dit aardsche leven, maar na den dood zullen de goddeloozen, met den rijken man, niet een droppeltje water hebben om hunnen brandenden dorst te lesschen. O ellendige menschen, die nog in de slavernij van den satan leven! Het ware u duizendmaal beter nooit geboren te zijn, dan met het juk der zonden, gebonden op uwe kinnebakken, eens op een zacht bed te sterven. „Wee u, die nu (daaronder) lacht; want gij zult treuren en weenen," en uwe tranen zullen niet uitgewischt worden in alle eeuwigheid. Luc. 6 : 25.

ü. Het juk op de kinnebakken der beesten liggende, hield hun den mond zoo vastgebonden en gesloten, dat zij nauwelijks eenig geluid konden geven. Maar waar dat harde juk des satans op de menschenzielen gebonden ligt, daar is hun de mond ook geestelijk gesloten, zoodat zij mede geen geluid kunnen geven. Daar kunnen zij de reine taal Kanaans en van Gods dierbare hemelsche genade in Christus niet spreken. Ach neen! daar is de mensch gansch stom; het ongeloof sluit hem den mond vast toe. De Apostel zegt: „Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, zoo gelooven wij ook," 2 Cor. 4 : 13. O geliefden! zoo lang als wij den Geest des geloofs niet hebben, en nog met onze harten vastgebonden zijn aan het juk der duisternis, des ongeloofs en der geesteloosheid, zijn onze mond

Sluiten