is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over Hosea 11: 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart drukt, en zij aan alle kanten met de banden deiellende gebonden worden. O, welk een harde arbeid en slaafsche dienstbaarheid der wet is er dan niet voor hen! Hoe spannen zij hunne krachten dan in, om van de heerschappij des satans vrij te komen en zalig te worden! Wat schreit en zucht, en bidt en woelt, jen wurmt de arme mensch dan niet, om zijne verlossing en om eenen weg naar den hemel te vinden! Zoo gerust en zoo zorgeloos als hij te voren leefde, eer hij de knellende touwen en koorden van des satans juk op zijne ziel gevoelde, zoo druk werkt en arbeid hij nu, om in vrijheid te komen. Wat doet hij niet al, om zich zeiven te verbreken en om een week en buigzaam hart voor den Heere Jezus te verkrijgen! Hoe naarstig is hij dan niet in het gebruiken van alle middelen, van welke hij slechts verwacht, dat ze hem eenig nut en eenigen dienst zullen doen! Dan zoekt hij de ware vromen op, welke hij te voren nauwelijks wilde aanzien, of waarmede hij althans nooit eenen gemeenzamen omgang gezocht heeft; zijne trotsche verwijdering en zijn zorgvuldig waken voor zijn ijdel wereldsch fatsoen raken nu aan een kant; er is voor hem nu wat anders te doen, dan maar te passen op het oog van de zondige wereld, en wat die en die er van zeggen zal. Zij mogen er nu van zeggen, wat zij willen; de arme mensch hoort nu niet slechts met het gehoor der ooren, dat zijne ziel in een groot gevaar van de hel en van de eeuwige verdoemenis is, maar zijn oog ziet het nu zelf; niets in de wijde wereld kan hem nu meer ophouden of gerust stellen; hij gaat zijnen weg en wandel grootelijks veranderen; hij stapt van vele zonden en zondige gewoonten af, waaraan hij voorheen zoo sterk verslaafd was, dat hij ze onmogelijk kon nalaten; hij verlaat zijn ijdel gezelschap, en hij doet nu vele goede dingen. Ziet, mijne vrienden, zoo is het nu des menschen werk- en ploegtijd; hier moet hij nu dien zwaren ploeg van Mozes wet voorttrekken, en toch is het maar alles een onnutte arbeid, naardien uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd zal worden voor God. Rom.