is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over Hosea 11: 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen Heiland en Verlosser voor ons geworden, fiie leeft in alle eeuwigheid, Openb. 1:18; die door den dood te niet gedaan heeft dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel, Hebr. 2 :14; nu is Hij de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent, Openb- 3:7; nu mag elk geloovige ook met Job zeggen: „Ik weet, dat mijn Verlosser leeft", Hoofdst. 19 :25.

O arme zondaar 1 die daar zijt begonnen uw juk met smart te dragen, vliedt toch nu geloovig tot dezen Verlosser! Maar hier werkt ook God de Heilige Geest, die werkt mede en heeft ook Zijne hand in dit heerlijke verlossingswerk; Hij is de Geest des Vaders en des Zoons; Hij wordt van beiden uitgezonden in de harten der uitverkorenen; Hij opent hunne blinde oogen en doet hun weten, dat zij rampzalige gebondenen van den satan zijn, en geeft hun een gansch smartelijk en ondragelijk gevoel van dit juk, zoo als de ongeloovigen, die verloren gaan, nimmer ontvangen. Hij is de geest des geloofs, die den Heere Jezus, door het Evangelie, in hunne harten openbaart, en die de verlegen zondaren als met de hand leidt en brengt tot hunnen Verlosser. Hij werkt de waarachtige gemeenschap tusschen Christus en de geloovigen; Hij is onze Heiligmaker; idoor Hem worden de arme zondaren in de zalige vrijheid des Evangelies overgevoerd, en verlost uit de dienstbaarheid des satans; want de Heere nu is de Geest, en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid; daar wordt het deksel weggenomen van de harten der geloovigen, 2 Cor. 3 :16, 17. — O, mensch, die heden nog gebonden gaat met des satans helsche banden, en die nog zonder Verlosser leeft, leer toch deze waarheid wel verstaan, dat gij den drieëenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, tot uwen Verlosser noodig hebt! Die Ik, die daar spreekt in onzen tekst: „Ik was hun als degenen, die het juk van hun kinnebakken oplichten," is de Allerhoogste, de drieëenige God, die in den beginne gezegd heeft: „Laat ons menschen maken," Gen.