is toegevoegd aan uw favorieten.

Maria-Magdalena

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeven duivelen bevrijd was geworden. De overlevering die ons haar voorstelt als hebbende een ergerlijk leven geleid, is van later tijden en onzeker; of men heeft met minder grond nog in haar de zondaresse meenen te erkennen (1), die de voeten des Heeren met eenen geurigen balsem heeft overgoten, ze met hare tranen besproeide en met hare eigene haren afdroogde. Hoeden wij ons het karakter van ^laiia te bezwaren, ten einde hare bekeering des te schitterender te doen uitkomen. Waarheid zij ons voornaamste streven, zoo als zij het voornaamste bestanddeel van de Schrift is. En helaas! die eene trek die zij ons bewaard heeft, is meer dan voldoende om ons een denkbeeld van den toestand van Maria te geven. «Zeven duivelen!" Het is hier de plaats niet om gissingen in het midden te brengen wegens den toestand van die bezetenen die in het Nieuwe Testament voorkomen, als ware het om den Zoon van God in de gelegenheid te stellen zijne Goddelijke kracht en overheerschende magt boven den Vorst der duisternis zigtbaar te ontvouwen. Een ding intusschen is zeker, namelijk, dat de ongelukkigen, bezetenen genoemd, onderworpen waren aan een' geheimen boozen invloed, terwijl enkele heldere oogenblikken, ja oogenblikken van geloovige godsdienstige overtuiging, indien ze hen niet aan de voeten van den Verlosser leidden, alleen dienden om het gevoel van hunne ellende nog te vergrooten; in een woord, ze behoorden zoowel zedelijk als ligchamelijk tot de rampzaligste diepst gezonkene schepselen; ze droegen

(1) Luk. VIII: 2. Vergel. inet Luk. VII: 37—50.