Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal liet niet dan verward en onduidelijk gevoeld hebben. Het moet iets onbepaalds geweest zijn, iets als ware het eene flaauwe geheime voorziening van het geen gebeuren zal, daar zij zich toch ook niet in durft toegeven ter oorzake van het onnatuurlijke, onwaarschijnlijke. . . . Misschien ook herinnert zij zich de voorspelling van onzen Heer wegens zijne opstanding, eene voorspelling die, ofschoon algemeen bekend , getuige het verzoek van de Joden aan Pilatus omtrent het ligchaam van den Heer, toch niet verstaan werd, noch door de discipelen, noch door de vrouwen, zoo als onder anderen hare voorzorg met opzigt tot de inbalseming bewijst . , . hoe het zij, en wat van dit alles wezen moge, is ons vermoeden gegrond, en rezen er in der daad gedachten bij Maria op, ze heeft ze in haar hart besloten; weenende staat ze buiten nabij het graf, onderzoekende, en al wat haar omringt den Heer terug vragende; zelfs de verschijning van de Engelen vermag hare aandacht niet af te leiden; eindelijk wendt zij zich tot Jezus zeiven die zij niet erkent, voor dat Hij met eene welbekenden , en welbeminde stem hare naam noemt: «Maria! Kabboni!" treffend, krachtige, welsprekende zamenspraak! Twee woorden slechts, maar woorden waartegen de uitvoerigste, de meest kunstig bestudeerde rede niet bestaan kan; woorden die in éénen te kennen geven, wat Maria is voor haren verrezenen Heer, wat de Heer is voor zijne dienstmaagd, de eens rampzalige die Hij van de inwoning der duivelen verlost had. Die weldaad is het groote feit waarop wij telkens terug moeten komen; zij is het die ons die geheele toewijding van Maria aan haren Heer

Sluiten