is toegevoegd aan uw favorieten.

Slachtoffers der Roomsche huwelijksmoraal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

Greetje van den Bosch ging met Frits aan de hand naar de woning, waar haar man overleden was. Ze had haar zoontje meegenomen in besluiteloosheid; ze was van plan hem bij het lijk van zijn vader te brengen en hem te zeggen, dat vader zoo moe was en voor goed bleef rusten, maar zij huiverde voor zijn angst en schrik misschien en voor zijn vragen. Tenslotte besloot ze alleen naar binnen te gaan en Fritsje er geheel onkundig van te laten. Terwijl ze liepen, begon hij weer te vragen en Greet kreeg spijt dat ze hem niet dadelijk de waarheid had gezegd.

„Fijn moeder, dat we weer dichter bij vader komen, hoe meer we loopen, hoe vlugger we er zijn, nietwaar?"

„Zoo is het mijn jongen".

„Wat zal vader blij zijn, als hij ons ziet".

„Ja, dat zal hij zeker".

De hospita die over haar eerste schrik heen was, ontving Greetje heel vriendelijk. Terwijl Fritsje met groote belangstelling naar een kanarie keek, zei Greetje fluisterend, dat ze het hem liever in het geheel niet vertelde en hem daarom graag even bij Mevrouw wou laten, zij ging dan alleen naar de sterfkamer. De hospita merkte op, dat er een oude dame bij het lijk was, vermoedelijk zijn moeder. Greetje verbleekte, maar ging toch naar boven. Onhoorbaar opende ze de deur; maar een oogenblik was het of ook haar hart had opgehouden met kloppen en zij moest zich vastgrijpen aan den deurpost om niet te vallen. Ze zag haar man op het bed liggen geheel gekleed, de handen gevouwen op de borst en men kon gelooven dat hij sliep, zoo weinig was hij veranderd. Voor het bed lag op haar knieën zijn moeder, hardop biddend. Toch scheen ze Greetje gehoord of haar gebed juist beëindigd te hebben, want plotseling stond zij op en keerde zich om. Eén oogenblik keken de twee vrouwen elkaar aan en toen krijschte de stem van de oude vrouw, die in woede ontstak:

„Ga weg, Satanskind; ga van hier adderengebroedsel, dadelijk! Vervloekt zul je zijn voor eeuwig!"

„Ik wilde U om vergeving vragen voor alles, wat ik U heb