Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En denkt nu eens aan Spreuken 12: 10, waar van den rechtvaardige, d. i. van den geloovige, gezegd wordt: „de rechtvaardige kent het leven zijner beesten". Aan Deut. 25: 4 „Een dorschenden os zult gij niet muilbanden"; d. i. gij zult den os, die den zwaren steenen rol over het uitgespreide koren trekt en den geur van de tarwe opsnuift, niet verhinderen, nu en dan een mondvol er van te eten. En het teederste bewijs voor de bewering, dat de Bijbel wel degelijk het dier in bescherming neemt is, dat in Deut. 14: 21 wordt voorgeschreven: „gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder". Zoo kiesch voelde de wetgever en wilde hij het volk leeren voelen, dat hij verbood, het geitebokje te laten toebereiden in de melk, die bestemd was dit dier te voeden.

Wie durft nu nog te beweren, dat de Bijbel, dat dus het Christendom het dier niet in bescherming zou nemen ?

Maar er is nog een punt, dat pleit voor de behandeling van dit onderwerp.

Niemand is Christen in den vollen zin van het woord; niemand is burger van het Koninkrijk Gods, die niet, door de wedergeboorte, een ander schepsel is geworden. Niet door het betrachten van bepaalde deugden komt men er; wij verdienen den hemel niet en wij verdienen ook niet het Koninkrijk Gods, door goede werken. Maar wie kind van God werd, wordt, door zijn levensverhouding tot God, een ander schepsel. Hij ziet de dingen met een ander oog, dan vroeger. „Het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden". In Col. 3 wordt deze verandering beschreven. Ondeugden, zonden, sterven uit, sterven weg, naarmate het nieuwe beginsel toeneemt in kracht en in omvang. Een „nieuw schepsel" in Christus ontstaat, groeit op, wordt sterk. Nieuwe karaktereigenschappen openbaren zich.

„Doet aan de innerlijke bewegingen der barmhartigheid", zegt Paulus tot de geloovigen. Oefent u in de barmhartigheid; laat, onbegrensd, de barmhartigheid in u werken.

Ziet ge wel, dat barmhartigheid, ook jegens de dieren, een onderwerp is, dat met de hoofdzaak, met uw deelgenootschap aan het Koninkrijk Gods, samenhangt?

Ik wensch u dan ook aan te toonen, dat de Christen zijn

Sluiten