is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene genade

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid toont; zelfs moet uit Matth. 5 : 45 in verband met 44 worden afgeleid, dat Hij nog Zijn vijanden liefheeft, maar van gunst, van genade voor de ongeloovigen weet de Schrift niets." „Meermalen spreekt de Schrift over de goedheid Gods niet slechts voor de geloovigen, maar ook voor degenen, die Zijn Naam niet vreezen. „Hij doet Zijn zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." (Matth. 5 : 45). God heeft wel in de verledene tijden de heidenen laten wandelen in hunne wegen, maar Hij heeft Zich niet onbetuigd gelaten, „goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vroolijkheid" (Hand. 14 : 17). God geeft aan allen het leven, den adem en alle dingen en heeft aller woning bepaald, „opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons" (Hand. 17 : 27). Wat die goedheid Gods voor alle menschen betreft, kan over de vraag of ze er is, dus geen verschil van meening bestaan."

(De cursiveeringen in dit en de volgende citaten zijn van mij, tenzij anders wordt vermeld.)

b. Slechts één genade of gunst.

Men hoorde het reeds: voor de ongeloovigen is geen genade of gunst weggelegd. Slechts voor de geloovigen. Daarover dit.

„Hoe gevarieerd de beteekenis van genade dus vooral in het N.T. mag zijn, altijd ligt daarin het element van gunst, van welwillendheid, van een toegekeerd zijn. Wanneer het van God gebruikt wordt, wijst het aan, dat God Zijn aangezicht gewend heeft tot de menschen, en hen in gunst aanneemt. Ook als genade aanduidt de weldaden, die van God ontvangen worden, staat daarbij steeds voorop, dat ze bewijzen zijn van Zijn gunst. „Er is m.i. slechts te spreken van eenerlei genade, die tot de wereld uitgaat om Christus' wil."

c. Onderscheid tusschen genade en gunst.

Waar genade en gunst in deze critiek steeds aan elkander worden gekoppeld, dringt zich de vraag op, of er tusschen beide ook eenig onderscheid wordt aangenomen. Hier heeft men het antwoord.

„Het komt er op aan, de beteekenis van die genade of gunst voor de geheele wereld te bepalen. Opzettelijk houd ik vast aan de dubbele uitdrukking „genade of gunst". Immers genade heeft voor ons de bijbeteekenis van verbeurde en dus van schuldvergevende gunst. Wanneer we alleen van genade spraken, zouden we buiten beschouwing moeten laten de gunst, die God vóór den zondeval den mensch schonk. En het is niet mogelijk, de beteekenis der genade in dezen tegenwoordigen tijd juist te zien, wanneer we daarbij niet in aanmerking nemen de beteekenis van Gods gunst vóór den zondeval. Indien voor ons vast staat, dat God