Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden dwongen daartoe. Of geen gunstiger omstandigheden konden worden geschapen, waarin voor zulk een gewichtige waarheid de exegese overeenkomstig haar recht kon worden beoefend, moet buiten onze beoordeeling blijven, al kan men dit op zichzelf betreuren. In elk geval echter hebben bloote verwijzingen nooit de kracht van min of meer uitvoerige exegese. Inzoover staat het Schriftbewijs dezer critiek niet sterk.

Toch ontbreekt de exegese niet geheel. Maar ze draagt een tendentieus karakter. Zoo worden op Joh. 1 : 1—14 de uitleggingen van Calvijn en Kuyper eenerzijds en die van Zahn anderzijds tegenover elkaar gesteld en beide worden verworpen. De oplossing, zoo wordt het voorgesteld, „wordt verkregen, wanneer men er van uitgaat, dat het Woord, dat in den beginne bij God was, de eeuwige Zoon is, niet slechts zooals Hij God openbaart, maar zooals Hij openbaart Gods gemeenschap en gunst aan de menschen. Het eeuwige Woord is de onderhouder van de gemeenschap in het verbond tusschen God en mensch." Tegen deze exegese rijzen m. i. vele bedenkingen. Ik laat ze op het oogenblik alle rusten op één na. Uit de gecursiveerde woorden blijkt, dat de verbondsgemeenschap van God en mensch als centraal voor deze Schriftplaats wordt aangemerkt. Maar niet alleen komt in de eerste verzen van Joh. 1 het woord „verbond" niet voor, doch de verbondsgemeenschap wordt op geen manier in den tekst uitgedrukt. De Schrift geeft wel openbaring aangaande verbond en verbondsgemeenschap, maar niet hier. Hier worden ze door de tendentieuse exegese erin gedragen. Daaraan worden al deze verzen zelfs onderworpen. De Logos in vers 1 tot 5 wordt vanuit het verbond bezien. Dat nu kan geen verdediging vinden.

Op dezelfde wijze wordt gemanoeuvreerd met Spreuken 8. „De wijsheid" — zoo leest men — „is dan ook niet slechts de Zoon, zooals Hij Gods wijsheid in de werken van Gods handen tentoonspreidt, maar speciaal, zooals Hij in de verbondsgemeenschap den mensch wijsheid geeft." Doch van verbond en verbondsgemeenschap wordt in dit hoofdstuk zelf niet gerept.

Zoo gaat deze critiek ook te werk met Colossensen 1 en Openbaring 19. Daarover zal ik echter niet uitwijden. De voorgelegde stalen zijn wel voldoende om zich een oordeel te vormen. Dit oordeel moet helaas luiden: zulk een exegese staat opdringerig

tegenover de Schrift.

Men hoede er zich toch voor om van het tiensnarig instrument der Schrift er negen onbespeeld te laten en slechts één snaar, die van het verbond of de verbondsgemeenschap te tokkelen, al wordt daarbij ook een ware virtuositeit aan den dag gelegd.

e. Willekeurige bepaling van het begrip „genade" uit de woorden der Schrift.

Behoeft eigenlijk nog wel te worden opgemerkt, dat men er

Sluiten