Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig mee vordert, wanneer wordt aangetoond, dat men de begrippen van termen, welke door belijdenis en dogmatiek worden gebruikt, niet uit de termen van de Schrift kan afleiden? Termen als Drieëenheid, verbond der verlossing, voorzienigheid, plaatsvervangende voldoening, staten van Christus, historisch geloof, tusschentoestand en nog honderde andere, zoekt men in onzen Bijbel tevergeefs. Moet men dan daarbij van alle begripsbepaling afzien? Wie deze consequentie aandurft moet een confessie in bijbeltaal opstellen, stichtelijke boeken in bijbeltaal schrijven, uitsluitend in bijbeltaal preeken, wat op loutere Schriftvoorlezing zou neerkomen, een dogmatiek, bestaande uit een aaneenrijging voor teksten, leveren. Het Coccejanisme o.a. scheen zich in deze richting te bewegen, maar bracht het daarin niet ver. Sommige secten toonden meer standvastigheid, doch geen ervan slaagde erin den eindpaal te bereiken.

De critiek, waarover we het nu hebben, neemt dit standpunt niet in. Maar een verre verwantschap daarmee kan niet worden geloochend. De term algemeene goedheid Gods wordt aanvaard, omdat zij ontdekt, dat er in de Schrift wel van goedheid, ook van lankmoedigheid en goedertierenheid Gods jegens ongeloovigen wordt gesproken. De term algemeene genade Gods wordt geboycot, omdat naar zij meent er in de Schrift van genade jegens de ongeloovigen niet de rede is. Ondersteld nu eens, dat inderdaad het woord genade als uitdrukking van de gezindheid Gods jegens ongeloovigen nergens voorkwam, zou die daarom in confessie en dogmatiek door een lockout moeten worden getroffen? Dan zou men het beginsel voorstaan, dat het verstand, door den Geest verlicht, geen term zou mogen gebruiken in eenigerlei zin, waarin de Schrift die niet bezigt. Dan zou de bijbel tot een termenboek worden. Dit is door de Gereformeerde theologie steeds gewraakt.

Doch zien we nu, hoe deze vorm van critiek, haar genadebegrip bepaalt. Er wordt geredeneerd: „„Genade" (charis) heeft in het oefialue de beteekenissen, die hier niet ter zake doen, zooals aangenaamheid (suavitas, jucunditas) en dank (gratia) in hoofdzaak de volgende beteekenissen." Pauzeeren we hier een oogenWelk recht heeft men, als men het genadebegrip uit de woorden der Schrift wil vaststellen, om te spreken van „beteekenissen, die hier niet ter zake doen"? Wie maakt uit, wat hier niet ter zake doet? Eigen willekeurig oordeel! Als men uit de woorden der'Schrift; tot een begripsbepaling van genade wil komen, mag met een woord en niet één beteekenis worden uitgezonderd In het eene genadebegrip moeten dan alle beteekenissen zijn opgenomen. Dat brengt deze methode met zich.

Maar we gaan verder. Welke zijn dan de beteekenissen welke hier wel ter zake doen? „1. welwillendheid, gunst (voluntas benigna) benevolentia, favor; 2. zeer dikwijls ligt daarin de ge-

Deformatie IV

Sluiten