is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene genade

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin „kinderen des toorns moesten heeten als nu de heidenen. En aan die „kinderen des toorns" wordt de volle rijkdom van Gods barmhartigheid geopenbaard. Zou dan God aan andere kinderen des toorns geen tijdelijke genade kunnen schenken? Wanneer „toorn" en „gunst" een uitsluitende tegenstelling vormden, dan zou er geen genade zijn voor eenigen zondaar. Indien er slechts gunst of genade ware voor geloovigen, voor niet„kinderen-des-toorns , voor hen, die niet „duisternis" zijn (vgl. Ef. 5 . 8. want eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere), dan waren wij nog in onze zonden.

Heel dit Schriftbewijs loopt derhalve op niets uit. Al zou in de gansche Schrift het woord „genade" niet in relatie worden gesteld met de ongeloovigen, dan nog zou dit niet pleiten tegen de leer der algemeene genade. Maar nu wordt dit woord in dien zin bovendien wèl in onzen Bijbel gevonden. En wel in Jesaja 26 : 10: „wordt den goddelooze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid." Hiermee kan niet bedoeld zijn de particuliere genade, want dan zou de goddelooze wel rechtvaardigheid leeren. Hier is uitsluitend gemeend de onbekeerde goddelooze. Deze genade moet dus een andere dan de bijzondere genade zijn. Deze tekst is ook aan het critisch gevoelen niet onbekend. Hoe redt het zich daaruit? Het klampt zich vast aan een vertaling van Fr. Delitzsch, waarin het woord genade niet voorkomt: „Würde Huid dem Fevler, so lernte er nicht Gerechtigkeit." Maar het grijpt naar een stroohalm. Want in het Hebreeuwsch staat een werkwoordsvorm (juchan), welke van „genade" (chen) is afgeleid. Indien Delitzsch met zijn „Huid" „genade" wilde uitsluiten, dan zou men hem slechts kunnen beschuldigen den grondtekst niet juist te hebben weergegeven. Andere vertalingen — en ik doe slechts een kleinen greep in mijn boekenkast — behouden de gedachte van genade terecht wel. Ridderbos: „Wordt de geloovige genadig behandeld, dan leert hij geen gerechtigheid", wat aldus nader wordt verklaard: „Immers zijn die gerichten heilzaam, daar ze (menigmaal) de menschen tot het kennen en beoefenen der gerechtigheid, dus tot bekeering leiden. Daarentegen geschiedt dit niet, zoo de goddelooze steeds gespaard wordt (sparen is juist een der werkingen van de algemeene genade, H.), dan blijft hij in zijn goddeloosheid volharden." Von Orelli: „Wird begnadigt der Böse, so lernt er nie Gerechtigkeit." De Afrikaansche vertaling: „Word aan die goddelose genade bewijs, dan leer hij geen geregtigheid nie." De Leidsche vertaling: „Wordt de booze genadig behandeld, dan leert hij geen recht op aarde kennen." Van der Flier: „Wordt begenadigd de booze, (wat) gerechtigheid (is) leert hij niet." Blijkt dan hieruit niet opnieuw willekeur, dat men zich werpt op een vertaling, die casueel niet het woord „genade" kiest in afwijking van zooveel andere. Op wat grond kan Delitzsch tot de autoriteit op exegetisch gebied worden verheven? Maar nog