is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene genade

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De argumenten worden dan ook aan het verband ontleend. Een ervan is deze: Noach vervloekte in zijn profetie Cham en stelde Sem in het middelpunt. Maar waar staat, dat Noach dit deed krachtens het verbond, dat werd opgericht? Nergens. Dit argument vloeit niet uit de Schrift voort, maar wordt aan de Schrift opgedrongen. Alweer een uiting van willekeurige exegese. Nu het andere: het Noachitisch verbond werd opgericht in verband met het offer, dat Noach bracht en waarvan geschreven staat, dat de Heere dien liefelijken reuk rook. Gaarne wordt ook door mij aangenomen, dat Noach dit offer ontstak in het geloof. Dit offer gaf blijk van bijzondere genade. Maar wat volgt hieruit? De critiek zegt het zoo juist: het Noachitisch verbond werd opgericht in verband met dit offer. Maar zij maakt daaruit de verkeerde gevolgtrekking: daarom is dit verbond ook het verbond der bijzondere genade. Dat kan zij echter niet bewijzen. Zij mag niet verder gaan dan een verband tusschen offer en verbond te constateeren. Daaraan houden de voorstanders van de leer der algemeene genade zich streng. Zij leeren zonder uitzondering, dat de algemeene genade in verband staat met de bijzondere genade. Maar zij besluiten uit het verband niet tot vereenzelviging. De genade staat ook in verband met de zonde. Doch daarom zijn zonde en genade toch niet hetzelfde! Men voelt het, hoezeer de logica hier zoek is. Van welken aard het verband is tusschen offer en Noachitisch verbond vermeldt Gen. 8 en 9 niet. Dat moet worden bewezen uit andere deelen der Schrift. En daarin blijft de critiek nalatig.

Dit dan over het Noachitisch verbond.

Gaan we nu verder op de kerngedachte in. Men zag den schriftuurlijken grond daaraan reeds ontzinken. Die toch werd hierin gezocht, dat de Schrift geen andere genade dan die in Christus kent. Het onhoudbare daarvan werd reeds uiteengezet. Verder voert de critiek aan, dat in Christus de wereld in haar organischen samenhang wordt gered. Dit wordt door geen enkel voorstander van de leer der algemeene genade betwist. Het Paulinische beeld van den boom, waarvan de dorre takken als niet meer tot het organisme behoorend worden afgehouwen is zelfs onder hen geliefd. Hierover kon dan ook gevoeglijk worden gezwegen. Maar de angel der critiek schuilt in de bewering, dat de „algemeene goedheid Gods" een uitlooper is van de genadige liefde Gods. Een uitlooper! Maar een uitlooper van een berg maakt toch ook nog een deel van dien berg uit. Een uitlooper van een rots is een wezenlijk bestanddeel van die rots, al is die misschien door een zeegeul van het groote massief op het land gescheiden. Een uitlooper van een boom wordt door dezelfde sappen gevoed als alle andere deelen van den boom, onderhoudt met dien boom levensgemeenschap. Indien dan de algemeene genade, hier als algemeene goedheid aangediend, een uitlooper is van de bijzondere