Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus. Zoo laat men het Schriftbewijs langs de kwestie heen spreken. Want als ik zeg: de overheid regeert is dat niet hetzelfde als wanneer ik zeg: de overheid heeft te regeeren. Het eerste constateert een feit, het laatste stelt een eisch. Maar wanneer aan dien eisch niet voldaan wordt is het feit daarmee nog niet verdampt. De aanval richt zich tegen het voor deze critiek niet vaststaande feit, dat de overheid regeert bij de gratie van God almachtig. Daarvoor en daarvoor alleen moeten argumenten worden bijgebracht. Dat doet deze critiek door haar probleemverschuiving niet. Daardoor alleen reeds moet zij met haar Schriftbewijs in gebreke worden gesteld. Zij bewijst niet, wat zij bewijzen moet.

Het zou van zekere onhoffelijkheid getuigen, wanneer ik om deze logische feil de kwestie zou laten rusten. Slaat men nu de drie genoemde teksten op, dan merkt men aanstonds, dat zij het vraagstuk van het regeeren of zelfs van het hebben te regeeren bij de gratie van God of van Christus als Hoofd van het genadeverbond in het geheel niet raken. In Psalm 2 wordt beschreven, hoe de heidensche wereldmacht optrekt tegen den HEERE en Hem die gezalfd is tot een koning niet over de wereld, maar over Sion, Zijn kerk. Hierbij valt al dadelijk op, dat niet uitsluitend sprake is van Christus, maar van den HEERE en Zijn Gezalfde. De heidensche koningen misbruiken hun macht om Beiden te bestrijden. Van wie die koningen hun macht hebben ontvangen wordt hier met geen woord gewag gemaakt. Daarom kan men hieruit ook niet afleiden, dat zij hun koningschap niet hebben van God Almachtig. Ook niet, dat zij moeten regeeren bij de gratie van Christus. De oorsprong van hun gezag staat hier volstrekt buiten. Er is alleen sprake van de aanwending van hun gezag. Ofschoon zij dat aanwenden tegen Sion en haar Koning, behouden zij toch nog den koningsnaam. Met dit weinige moet hier worden volstaan. Immers tegen een onbekende exegese kan men moeilijk strijden. Men zou zich aan gissingen moeten wagen en dat is onvoorzichtig. Werd vooral het derde vers over de verbreking van banden en touwen onjuist geïnterpreteerd? Men wordt hieromtrent in onwetendheid gelaten. Slechts kan er bij deze critiek op worden aangedrongen van het werk van geloovige en kundige exegeten kennis te nemen.

Evenzoo staat het met Openb. 17 : 14. Ook daar is de rede van koningen, die oorlog voeren tegen het Lam. Van het Lam wordt nader gezegd, dat het is een Heer der Heeren en een Koning der Koningen. Meent de critiek misschien, dat uit de uitdrukking: Koning der Koningen mag worden geconcludeerd, dat die koningen regeeren of hebben te regeeren bij de gratie van het Lam? Maar dan verstaat zij die uitdrukking niet. Hier kan men met recht spreken van een Semietische zegswijze. Daniël spreekt Nebukadnezar aan als koning der koningen en hij motiveert dit aldus: want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte,

Sluiten