is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene genade

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeniging (welke Christus naar Zijn menschelijke natuur bezit op grond van de vereeniging dier natuur met de goddelijke), de kennis des gezichts of der aanschouwing (die van de gezaligden) en de kennis van den reiziger (die van de geloovigen op aarde, die op reis zijn naar het betere vaderland) als „onrijp" ter zijde gesteld.

Ook die tusschen algemeene (over alle schepselen), bijzondere (over den mensch) en bijzonderste voorzienigheid (over de geloovigen) wordt verworpen.

De uitspraak: „Want ik word met den dag benauwder voor de woorden „algemeen" en „bizonder"" spelt al evenmin iets goeds. Zal ook de „algemeene openbaring" eraan moeten gelooven? En wat zal nog meer aan die benauwdheid ten offer moeten vallen? Want de dogmatiek bedient zich nog al dikwijls van „algemeen" en „bijzonder".

In ander verband werd ook de onderscheiding tusschen theologia archetypa (de kennis, welke God van en voor Zichzelf heeft) en ectypa (de kennis, welke God van Zichzelf tot het schepsel doet uitgaan) weggevaagd.

Zit er wellicht ook destructie in de stellige verzekering: „Ons theologisch spraakgebruik heeft zich wel heel ver verwijderd van dat van den eenvoudigen bijbellezer, en van hemzelf"?

Er is meer dat zorg baart. Gewezen op een bepaalde exegese van „medewerkers Gods" verdedigt dit critisch gevoelen er zich mee, dat „de vraag of een dogmaticus het met een exegeet eens is, in vele gevallen van het grootste gewicht (moge) zijn (gehjk ook omgekeerd). Ze doet toch in andere gevallen niet ter zake." En dan komt het merkwaardige: „Om de eenvoudige reden, dat er in het dogmatisch spraakgebruik heel wat technische termen zijn opgekomen, en door een eeuwenoud gebruik geijkt, welke niemand weer uit de dogmatiek kan wegwerken. En. „altijd zal het zoo blijven, dat men dogmatische termen vasthoudt, als ze eenmaal ingeburgerd zijn, ook al komt misschien een bepaalde term zelf op uit al te haastige Schriftlezing. Hoe lang is niet de „concursus", de „samengang" van God met de z.g. „tweede oorzaken" een vast element in de leer der voorzienigheid geweest? Het woord „zamenloping" zegt Burmannus, „is niet al te net ; maar men bleef het toch maar gebruiken, hijzelf ook; want men meende het zakelijk uit den bijbel te kunnen afleiden." Dit voorbeeld kan niet al te gelukkig worden geacht. Want reeds in de oude dogmatiek rees over den „concursus" (medewerking) verschil. Zelfs onze Geloofsbelijdenis noemt bij de voorzienigheid wel de onderhouding en regeering, maar niet de medewerking (Art. 12). Onze Catechismus evenzoo (Vr. 26 en 27 met de antwoorden). Ch. Hodge verzet zich zelfs tegen de leer van de medewerking. Doch dat is tot daaraan toe. Naast deze uitlating over de verhouding tusschen dogmaticus en exegeet