Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun iets beters, iets heerlijkers te brengen dan zij hebben, heil te willen bearbeiden, hen te willen winnen, en dat voor het kruis, is hun een hartgrondige ergernis. Men leze maar eens een tijdschrift als de «Israëlitische Wochenschrift," dat niemand toch van ultra-orthodoxie verdenken zal, of de geschriften van een Abraham Geiger, die waarlijk genoeg ketterijen aan zijn vruchtbare pen heeft toevertrouwd. De toon is altoos waardig en kalm, behalve wanneer van den zendiwgraarbeid der Christenen onder de Joden, van dat «armzalige Christeln" dier orthodoxen , wier «theologie altoos de oogen op haren rug draagt") Geiger II, blz. 258, verg. ook blz. 321), gesproken wordt. Dan komen alle adjectiva op eens in den superlatief. Zie hier, behalve Delitzsch, Christ. und Jiid. Presse, nog Nathanael, 1885, blz. 110 en Saat auf Hoffnung, 1883 , blz. 53. En toch — heeft diezelfde Isr. Wochenschr. wel recht zich over onze missie te beklagen, wanneer zij zelve getuigt (no. van 18 Dec. 1884, blz. -389): »De Joden . . . houden hun geloof voor het éénig ware ... en alleen uit menschenliefde wenschen wij dat de waarheid die ons gelukkig maakt, eens het bezit van alle menschen worde. Hopen de Christenen niet hetzelfde?" Waarom dan geklaagd wanneer deze laatsten, op eerlijke wijze, die hoop trachten te verwerkelijken? Het is hun heilige plicht, zij mogen en kunnen niet anders. Rom. 1:16. Maar zeer zeker staat als »conditio sine qua non," als de eerste van alle voorwaarden tot dezen zendingsarbeid vast, dat wij weer een christelijk volk moeten worden, ons christelijk volkskarakter handhaven, onze christelijke banier hoog en rein houden, en door een christelijken wandel en christelijke liefde allen die met ons verkeeren, en allereerst den Joodschen gast dien wij zoo gaarne herbergen, de heerlijkheid van ons christelijk geloof laten zien. Hoe weinig begrip zelfs maar heeft deze nog menigmaal van wat het Christendom eigenlijk is! Is het niet tragisch zelfs een Abraham Geiger (zie zijn derden brief d.d. 24 Juli 1853, Nachgel. Schr. II, blz. 307) te zien schrijven, na Delitzsch en Hengstenberg behoorlijk gekastijd te hebben: »Daar hebt gij nu weer den troosteloozen toestand van het Christendom! Als het zich maar geloovig bij het Nieuwe Testament houdt, moet het ook alle midrasjische voorstellingen, die in den laatsten tijd des tempels gangbaar waren, altegaar als heilig aannemen, omdat zij nu eenmaal in de oudste christelijke oorkonden haar diepe spoor hebben nagelaten. Maar 't Jodendom rust op zichzelf, maakt zijn eigen ontwikkeling zelfstandig door , en kan dan ook gerust een tijdelijken vorm afwerpen, zonder zichzelf prijs te geven. Het Christendom daarentegen rust op een tijdelijke openbaring des Jodendoms, en moet nu datgene, wat in zijn historisch-

Sluiten