is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vraagstuk der gemeentemonopolies in het belang der volksgezondheid, hoofdzakelijk beschouwd in het licht van de nieuwe opvattingen in zake bedrijfsvrijheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Warenwet, doch beoogt slechts door een drastische regeling van den verkoop de keuring mogelijk te maken. Het onderwerp van de genoemde wet en dat van een gemeentelijke verordening lot monopoliseering van het melkbedrijf is totaal verschillend.

Onze voorloopige conclusie is dus deze: Op grond van art. 150 der Gemeentewet in verband beschouwd met art. 15 der Warenwet kan de vestiging van een gemeentelijk monopolie in het belang der volksgezondheid op een niet van nature voor overheidsexploitatie aangewezen bedrijf of onderneming niet worden bestreden.

Thans komt echter eerst de neteligste vraag aan de orde: Is uit het oogpunt der bedrijfsvrijheid tegen een dergelijk gemeentelijk imperialisme op economisch gebied bezwaar in te brengen ? Het geldt hier vanuit wettelijk standpunt bezien de interpretatie van art. 135 der Gemeentewet. Voor wij in een nader onderzoek dezer kwestie treden, herinneren wij nogmaals aan de opmerking in den aanvang dezer studie gemaakt. Bij het stellen der vraag dienen wij te bedenken, dat de begrippen omtrent bedrijfsvrijheid en overheidstaak belangrijk gewijzigd zijn en dat volgens die nieuwe opvatting vrijheid van bedrijf vanuit juridisch standpunt niet dient te worden beschouwd als een absoluut subjectief recht, waarbij slechts concessies aan de praktijk zijn te doen ter voorkoming van een anarchie op economisch gebied, doch als een sociale functie, een factor ten dienste van het algemeen belang.

Vanzeive richt zich dus bij eene eventueel bevestigende beantwoording der gestelde vraag het oog op de Kroon, aan wie door art. 153 der Gemeentewet het zwaard der vernietiging in de hand is gegeven. Zij alleen zal ons tegen een schadelijke inperking der bedrijfsvrijheid, tegen een gemeentelijk annexionisme op economisch gebied kunnen beschermen.

Wij willen ter adstructie van bovenstaande stelling in het kort nagaan, hoe de nieuwe opvattingen in zake de bedrijfsvrijheid zich hier te lande hebben baan gebroken. Men vergeve ons hiertoe een historischen „Abstecher".

Zooals bekend, was de vrijheid van bedrijf vroeger grootendeels wettelijk geregeld.

Art. 2 van de Patentwet van 21 Mei 1819 {Stbl. n°. 34) bepaalde: „Het patent zal den persoon, aan wien hetzelve is verleend, bevoegdheid geven, om gedurende den tijd, waarover hetzelve is uitgegeven, den daarin vermelden handel, bedrijf, beroep of nering allerwege, waar hij zulks zoude mogen verkiezen, uit te oefenen; echter zullen de patenten, welke aan eenig persoon mogten zijn uitgereikt wegens beroepen of bedrijven, waarvan de uitoefening aan denzei ven, door of uit krachte van 's lands wetten of door Ons goedgekeurde verordeningen, hetzij bepaaldelijk, hetzij voorwaardelijk, is of zoude kunnen worden verboden, van geen kracht zijn".