is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vraagstuk der gemeentemonopolies in het belang der volksgezondheid, hoofdzakelijk beschouwd in het licht van de nieuwe opvattingen in zake bedrijfsvrijheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

theorieën opgekomen vakorganisatie van de arbeidende klassen. Deze organisatie van een bepaalde kategorie der producenten lokte immers talrijke tegenorganisaties van andere kategorieën gelijkbelanghebbenden uit, allereerst van de werkgevers, en straks van de verbruikers die in coöperatie hun heil zochten tegen de onder zijdelingsche pressie der vakorganisaties steeds hooger opgevoerde prijzen. Straks schiepen de organisaties van patroons en arbeiders een stuk nieuw sociaal recht in de tegenwoordig zoo druk besproken collectieve arbeidscontracten, die ofschoon zij wettelijke sanctie ontbeerden, krachtig bijdroegen tot ondermijning van de privaatrechtelijke begrippen van bedrijfsvrijheid. Al deze uit het leven zelve opgekomen organisaties en regelingen brachten reeds geheel zonder aandrang van overheidswege een wezenlijke omvorming van de individueele bedrijfsvrijheid te weeg, doch schiepen ook een nieuwe taak voor de overheid in het beschermen van het algemeen belang, zoowel op het gebied der volkswelvaart als der volksgezondheid. Wij geven toe, dat de collectieve organisatie ten onzent bij het uitbreken van den oorlog nog lang niet in die mate ontwikkeld was en zich ook sedert niet ontwikkelde als b.v. in Duitschland, waar Edmu.vd Fischer kon schrijven (zij 'tal wellicht niet zonder eenige overdrijving), dat concurrentie en bedrijfsvrijheid tegenwoordig tot hét verledene behooren (1), maar toch was zij reeds een belangrijke tactor, die tijdens den oorlog zich op ieder gebied zou versterken. Dat de opvattingen der bedrijfsvrijheid met deze ontwikkeling gelijken tred moesten houden, spreekt vanzelf: de subjectiefrechtelijke leer moest in de practijk voet voor voet terrein verliezen en ten slotte in elkander storten, naarmate de collectieve idee in het bedrijfsleven begon door te werken. Zooals wij reeds opmerkten, dit was een proces van onderen op, dat vanzelf de overheid (zoowel staat als gemeente) er toe bracht op andere en diepere wijze dan te voren in het bedrijfsleven in te grijpen. Ook de'begrippen inzake de eischen der volksgezondheid maakten een geleidelijke ontwikkeling door: naast de individueele hygiëne werd de sociale hygiëne op den voorgrond gebracht en van de overheid verlangd, dat zij zich ook op dit gebied zou doen gelden.

Straks gaat onder dezen aandrang de rijkswetgever door een diep in de bedrijfsvrijheid ingrijpende sociale wetgeving over tot liquidatie van den faillieten boedel der subjectiefrechtelijke denkbeelden (1). De nieuwe Arbeidswet van minister Aalbebse betreedt een terrein, dat eertijds als onaantastbaar heiligdom der particuliere vrijheid gold.

Cl) Edmund I'IScher, Das Sozialistische Worden, Die Teridenzen der wirtschaftlichen und sozialen Entwicklung (1918), blz. 47.