is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweede bundel gewigtvolle brieven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GIESSENDAM den 10 Juni 1857 Hartelijke geliefde Vriendin!

Gij zult mij, denk ik, al wel eens verwacht hebben, 't welk ik ook lang voornemens was, waarom ik ook niet heb geschreven, doch de reden van mijn niet komen zult gij misschien wel gehoord hebben, het is omdat de pokken hier zeer sterk heerschen; nooit heb ik het beleefd, dat die pestziekte zoo geheerscht heeft, als thans op deze plaats; waar de ziekte in huis komt schiet er zelden één over; God vernietigt hier den raad der Heidenen, de sterkste voorstanders der inenting liggen aan die ziekte, in één huisgezin onzer gemeente heeft de vader twee van zijne kinderen naar het graf gebragt en den dag daarna kreeg hij zelf de pokken en is er ook aan gestorven, evenwel met eene gegronde hoop dat zijn einde vrede was.

Wanneer ik zieken bezoek is het daar waar de pokken zijn, en nu verneemt men wel eenige neerslachtigheid in die huisgezinnen maar geene verootmoediging, en toch durf ik nog niet zeggen: wat een verhard mènschdom, want het is mijn eigen beeld, zoo nu de Heere stilt wie zal dan beroeren? De verharding is het droevigst oordeel dat er op een volk kan rusten, o! mij dunkt zou dat nog niet vervuld moeten worden aan het Nederlandsche volk, hetgeen wij lezen Jes. 6: 9—13.

Ik heb uwen laatsten brief met veel genoegen gelezen, doch meer zal ik er niet van schrijven, gij schrijft mij echter, dat ik al te gunstig over