is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweede bundel gewigtvolle brieven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan dezelfde blijft, de Heere schept een nieuw geestelijk leven in de ziel, 't welk door deszelfs krachtige werking de natuur doodt en ten onder houdt, gelijk de Israëlieten de Kanaanieten cijnsbaar maakten; maar bij de minste verflauwing van het geestelijk leven, steekt de natuur de kop weder op om het geestelijk leven te beoorlogen, en zoo komt het, dat Gods volk het veelal zoo bang in de wereld heeft, want die strijd houdt nimmer op, dag nog nacht, zoodat de klacht is met David: „Mijne bestraffingen zijn er alle morgen.''

Ik heb wel eens vromen hooren uitdrukken! dat zij banger waren voor hun bedorven hart dan voor den duivel en banger voor de zonde dan voor de hel, o wat ben ik blijde, dat ook de bijbelheiligen zulke klagers geweest zijn, zooals Paulus, David en vele anderen, en zoo komt liet dat de ouden zoo gaarne bij elkander willen zijn, aangezien ze in den grond zoo zijn vereenigd, want. zij zijn zoo bedelarm en in hunne armoede bestaat hun rijkdom, in het zien en treuren over hunne ellende, hunne roem: men zegt wel van dat volk: het is niets dan klagen dat men er van hoort, en ja dat is zoo, maar werd het eens verstaan, dat daar hun roem in ligt, om hunnen grooten Koning alleen de kroon op het hoofd te zetten, neen, zij willen de roem van hunne zaligheid niet met den Heere deelen, hunne taal is: eeuwig zal ik U daarvoor roemen, eeuwig vrije genade noemen; o wat zal het toch zijn, wat zal het zijn, als het zware en lastige zondenpak bij het graf zal worden afgelegd, want ik moet toch betuigen: de Heere weet het, dat het mijne groot-