is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweede bundel gewigtvolle brieven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GIESSENDAM den 24 Sept. 185ih Zeer geachte Vriendin!

Gij hebt mij verzocht u nog eens een lettertje te schrijven; maar ga ik daar over denken, dan volgt de vraag: wat zal ik schrijven? Er ligt wel wel wat op de bodem van mijn hart, doch meesttijds moet ik klagen: Heere ik heb niets om mede te patten uit dien diepen put; van welken kant ik mij ook bezie, de slotsom is: ik ben ellendig, behoeftig en afschuwelijk; dit moest ik heden morgen nog betuigen voor den Heere, waarbij mij voorkwam, dat de melaatschen wegens hunne afschuwelijke plaag, afgezonderd moesten leven, geheel verstooten van de zamenleving der menschen, waarom het hun dan ook niet vergund werd, gelijk duizende andere menschen deden om den H. Jezus na te volgen, hoewel de meesten maar doode volgers waren; het was die melaatschen alleen geoorlootd om van verre te roepen: H. Jezus, Meester! ontferm u onzer; zij waren toch niet te afschuwelijk voor dien barmhartiger! Samaritaan, om hunne smeekingen te hooren en ze te genezen.

O! gelukkig zulke geestelijke melaatsche zielen, die niet, gelijk de grootste hoop, slechts uiterlijke volgers zijn; maar die met bewonde^-én^e lippen, vol geestelijke accidenten, met neêrgeslagene oogen van verre staande, uitroepen: Heere Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner! O met welk een mededoogenden en liefdevollen ontfermer hebben wij te doen. Eilieve! blijf daar wat bij stil staan; ga daar niet zoo spoedig over heen; overweeg en be-