Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w

Zoo opent zij dan den Bijbel en slaat het oog op Jer. 4, en leest dat ontzaglijk hoofdstuk onder onuitsprekelijke benauwdheid en zielsverschrikking; in zonderheid trof haar het tweede gedeelte van het 18de vers: ;/Dit is uwe boosheid'1 dat het zoo bitter is, dat het tot aan uw harte raakt.

Wat zij toen ondervonden heeft is niet te beschrijven; zeker iets van dien bitteren beker, dien de lieve Heere Jezus voor al zijn arm en ellendig volk heeft gedronken, toen Hij in de dagen zijns vleesches, gebeden en smeekingen tot dengene, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreeze voor allen die Hem gehoorzaam zijn eene oorzaak der eeuwige zaligheid is geworden. Hebr. 5 : 7, 9.

Meermalen hoorde ik moeder zeggen: Gods volk weet er iets van, wat het zijn zal in de hel te zijn, maar ook iets van hetgeen in den hemel zal genoten worden.

Bang, o! zoo bang was het haar. Maar God, die gezegd heeft: ffRoep mij aan in den dag der benauwdheid en ik zal er u uithelpen, en gij zult mij eeren;" stond op tot hare hulp. Ps. 50: 15.

De Heere zegt bij den Profeet Jezaia, hoofdstuk 57: 16: Want ik zal niet eeuwiglijk twisten, en ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor mijn aangezicht overstelpt worden , en de zielen, die ik gemaakt heb.

Wel aan lieve lezer! vernieuw uwe aandacht, als wij u ook iets mededeelen van de verlossing, die onze geliefde moeder, na zooveel strijd en benauwdheid heeft mogen ondervinden.

Sluiten