Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INLANDSCHE BEWEGING.

Indien, wat ik vrees, de kentering van 1927 niet doorzet; indien de afnemende lust van de Javaansche aristocratie om bij het bestuur te dienen, zou aanhouden, dan hebben we hier te doen met een verschijnsel, dat niet alleen de onmiddellijke, maar ook de voortdurende aandacht der Regeering vraagt.

De opvatting der hoofden zelf, dat de hoogere opleidingen zooveel betere vooruitzichten bieden, zou hier de richting aangeven, die ingeslagen zou moeten worden, om een vraagstuk, waaraan boven alle andere op bestuursgebied de voorrang behoort te worden toegekend, op bevredigende wijze tot oplossing te brengen.

Want allerbelangrijkst is het.

Immers, werd het niet verkondigd: „een echte volksleider is meer waard dan 100 priaji's!" Dat was intusschen de zaak gezien van den anderen kant van de toonbank.

Doch van dezen kant, d.i. van onzen kant, staat het echter zoo, dat één goede priaji opweegt tegen 100 volksleiders. Maar dan moet hij een echte priaji zijn en hij moet goed zijn.

Daarom is de aangelegenheid van de samenstelling en de positie van het inlandsch bestuur van zoo overwegende beteekenis óók voor het verder verloop der z.g. inlandsche beweging. Dat en een ondubbelzinnige, voor

hierop te letten hebben. Wij geven millioenen uit om de Inlanders wat men noemt „op te heffen en men laat ze leven in een omgeving, waar het effect van die opheffing in velerlei opzicht in zijn tegendeel wordt omgezet.

Met de toegediende kennis behoort een goede opvoeding en in elk geval vrijwaring van bedervende invloeden gepaard te gaan.

Sluiten