Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSINRICHTING EN BESTUURSORGANISATIE.

onder stoelen of banken gestoken en ik sta in 1928 nog geheel op hetzelfde standpunt, waarop ik in 1918 stond.

Ik keur het bestaan van den Volksraad, zooals hij m 1917 in het leven werd geroepen, af. Ik doe dat niet nu alleen, nu de gevolgen duidelijker zichtbaar beginnen te worden; ik deed het reeds 10 jaar geleden.

Ik zie voorts de staatsregeling van 1925 als de gerechte straf, die — vooral ook door het in Nederland stilzwijgend aanvaarden der in 1918 in Indië afgelegde ondoordachte verklaringen — op de zonde van 1917 volgen moest en ik voel het aanhangige voorstel tot wijziging van de samenstelling van den Volksraad als een pijnlijke herinnering aan het feit, dat men, eenmaal op het verkeerde pad, van kwaad tot erger pleegt te vervallen.

Wat Indië in 1917 — wat eerder of wat later ware evengoed geweest — noodig had en wat het had behooren te ontvangen, was heel iets anders dan waarmee het nu ,,bezocht" is geworden.

Om te kunnen beoordeelen welke weg destijds ingeslagen had moeten zijn, is het noodig eerst een drietal nuchtere feiten naar voren te brengen, want ook een staatsinrichting behoort op den bodem der werkelijkheid te rusten.

Vastgesteld kan dan worden, dat ongeveer 10 jaren geleden metterdaad de behoefte merkbaar begon te worden om sommige elementen uit de inlandsche samen- t leving ook nog op andere wijze in het bestuur van Indië te betrekken dan reeds een eeuw lang placht te geschieden, n.1. in den vorm van intrede in het korps inlandsche bestuursambtenaren.

Sluiten