Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die deze situatie systematisch doordenkt met het oog op haar optimale beheersbaarheid is uit dien hoofde een praktische wetenschap te noemen. Mijnentwege zegt men „een speciale praktische antropologie" 7), die zaak is hier niet aan de orde, maar ook hier zien wij, hoe „toegepaste wetenschappen" verwerkt worden door de praktische wetenschap, i.q. de opvoedkunde. Dergelijke toegepaste wetenschappen zijn hier: le verschillende takken van psychologie; 2e de sociologie; 3e de ontwikkelingsphysiologie; een duidelijk preparaat uit die gebieden van wetenschappen tot een bepaald doel.

De opvoedkunde kan dus niet verstaan worden alsof ze zelf niets anders ware dan „toegepaste" dit of dat. In een dergelijke beschouwing komt wetenschapstheoretisch de zaak precies op z'n kop te staan. De beoefenaar echter ener praktische geesteswetenschap heeft tegen deze averechtse opvatting nog een geheel ander bezwaar: hij weet, dat bij een gang van zaken, dia konsekwent zou aansluiten bij deze misvatting, iets zeer ernstigs geschieden zou ten aanzien van de betrokken opvoedeling. Iets van zó ernstige aard, dat hij niet zwijgen mag en zelfs aktief moet overgaan tot het beletten van de feitelijke uitoefening van een zogenaamde „opvoeding", die in wezen juist een verzaking is van het kind als mens. „Verzaking" ook in de betekenis van een tot zaak, tot ding maken. Hier immers zou de „toegepaste" in de plaats treden van de praktische wetenschap; hier wordt de opvoedingshandeling gemaakt tot wat zij juist in wezen niet is, nl. causalitas efficiens actu. En daarmee wordt de mens in het kind van zijn constitutieve vrijheid ontdaan. Is het niet een kwestie van staat, dat de paedagoog, het kind als mens in bescherming neemt tegen een dergelijke fatale „wetenschappelijke'' ver-niet-iging? Het is daarom weinig verbazingwekkend, dat het juist de paedagogen geweest zijn, die — vooral sedert het positivisme ook hier zijn invloed deed gevoelen — telkens weer tegen de „verzaking" van het kind streden, zoals psychologen, politici, sociologen, biologen enz. enz. die voorstonden. En uiteraard werd een soortgelijke fout binnen de

7) Vgl. mijn: Handelen en denken in de opvoeding en de opvoedkunde^ Gron. 1942.

Sluiten